Vormfouten
Einde inhoudsopgave
Vormfouten (SteR nr. 19) 2014/7.5:7.5 TOETSING DOOR DE ZITTINGSRECHTER VAN ONDERZOEK MET EEN BUITENLANDS ASPECT
Vormfouten (SteR nr. 19) 2014/7.5
7.5 TOETSING DOOR DE ZITTINGSRECHTER VAN ONDERZOEK MET EEN BUITENLANDS ASPECT
Documentgegevens:
Reindert Kuiper, datum 30-04-2014
- Datum
30-04-2014
- Auteur
Reindert Kuiper
- JCDI
JCDI:ADS617876:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Deze paragraaf staat in het teken van de aard en de omvang van de toetsing door de zittingsrechter van voorbereidend onderzoek met een ‘buitenlands aspect’. Bij die laatste wat wollige term kan aan verschillende situaties worden gedacht: onderzoekshandelingen door buitenlandse opsporingsambtenaren in het buitenland of in Nederland of door Nederlandse opsporingsambtenaren in het buitenland en alle vormen van samenwerking die in dit verband mogelijk zijn. Het kan daarbij gaan om vormfouten die – strikt genomen – vallen buiten het afgebakende bereik van art. 359a Sv, maar of dat zo is, is hier niet zo belangrijk, omdat de Hoge Raad art. 359a Sv van overeenkomstige toepassing heeft verklaard, zowel wat betreft de eisen aan het voeren van verweer als wat betreft het verbinden van rechtsgevolgen aan geconstateerde vormfouten.1
Het EVRM vereist dat vormfouten die inbreuk kunnen maken op het recht op een eerlijk proces in de zin van art. 6 EVRM door de zittingsrechter worden onderzocht en zo nodig van een passende reactie worden voorzien. Voor vormfouten op andere rechten die het EVRM waarborgt, maar die zijn begaan buiten de rechtsmacht van de betreffende verdragsstaat en zonder zijn betrokkenheid, hoeft deze staat geen remedie te bieden.2 Of en in hoeverre aan dergelijke vormfouten door de zittingsrechter aandacht wordt besteed is aan de verdragsstaten – in Nederland: aan de rechter – overgelaten. Dat betekent dat de rechter – lees: de Hoge Raad – een aantal keuzes moet maken over de omvang van de taak van de zittingsrechter. Punten waarover de controle van de zittingsrechter zich kan, maar vanuit verdragsrechtelijk perspectief niet per se moet, uitstrekken zijn onder meer de vragen (i) of buitenlands recht is nageleefd, (ii) of de soevereiniteit van het buitenland is gerespecteerd en (iii) of andere door het EVRM gewaarborgde rechten zijn geschonden, dan het recht op een eerlijk proces in de zin van art. 6 EVRM.
7.5.1 Aanvankelijk geen eenduidige duidelijk gemotiveerde keuzes7.5.2 Richtinggevend standaardarrest over toetsing buitenlandse opsporing7.5.3 Onderzoekshandelingen onder verantwoordelijkheid Nederland7.5.4 Onderzoekshandelingen onder verantwoordelijkheid buitenland7.5.5 Samenwerking na begin onder buitenlandse verantwoordelijkheid7.5.6 Conclusie