Einde inhoudsopgave
Afspraken en Aanspraken (SteR nr. 57) 2023/8.4.1
8.4.1 Verhouding tot de bestuursrechtelijke procedure
N. van Triet, datum 23-12-2022
- Datum
23-12-2022
- Auteur
N. van Triet
- JCDI
JCDI:ADS685382:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Par. 5.4-5.5.
Par. 5.2. Zie Rb. Zeeland-West-Brabant 13 maart 2019, ECLI:NL:RBZWB:2019:1618, rov. 4.7, met verwijzing naar de SNS-beschikking van HR 20 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:661, NJ 2015/361, AB 2016/343 en HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1128, NJ 2015/266, AB 2016/344 (KB-Lux). Zie ook HR 17 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:738, NJ 2019/213, AB 2019/418 (Gebondenheid oordeel bestuursrechter schuldsanering).
Par. 5.2.
Hof ’s-Hertogenbosch 2 januari 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:1, BR 2018/21, rov. 3.19. Dit kan anders zijn indien de reden voor (gedeeltelijke) vernietiging binnen de invloedssfeer van de gemeente is gelegen.
Rb. Zwolle 11 februari 2004, ECLI:NL:RBZWO:2004:AO8924.
Rb. Zwolle 11 februari 2004, ECLI:NL:RBZWO:2004:AO8924, rov. 3.7.
Hof Leeuwarden 21 december 2005, ECLI:NL:GHLEE:2005:AU8618.
Rb. ’s-Hertogenbosch 16 december 2009, ECLI:NL:RBSHE:2009:BK9665.
Rb. Gelderland 2 november 2016, ECLI:NL:RBGEL:2016:7185.
Bij de beoordeling of afspraken zijn nagekomen, is de civiele rechter niet gebonden aan de eventuele overwegingen van de bestuursrechter in het kader van een procedure over een uit hoofde van de overeenkomst of toezegging genomen besluit.1 De civiele rechter is evenmin gebonden aan de overwegingen van zijn bestuursrechtelijke collega dat een besluit een correcte uitvoering vormt van de bevoegdhedenovereenkomst of toezegging.2 Dit oordeel valt buiten de reikwijdte van de formele rechtskracht van het op grond van de overeenkomst genomen besluit.3 Een (gedeeltelijke) vernietiging van een publiekrechtelijk besluit leidt ook niet zonder meer tot de conclusie dat de overheid haar verplichtingen die voortvloeien uit een bevoegdhedenovereenkomst of toezegging heeft verzaakt.4
In bijvoorbeeld een uitspraak van de Rechtbank Zwolle uit 2004,5 hadden eiseres en de gemeente Noordoostpolder een met ‘intentieverklaring’ aangeduid stuk ondertekend, waarin afspraken zijn vastgelegd over de samenwerking tussen de gemeente en eiseres bij de ontwikkeling van een bedrijventerrein. In de kern kwamen de afspraken erop neer dat de gemeente zich zou inspannen om de noodzakelijke gronden te verwerven en om een bestemmingsplan vast te stellen dat de aanleg van een bedrijventerrein mogelijk maakte en dat eiseres voor haar rekening en risico zou zorgdragen voor de ontwikkeling van het bedrijventerrein en de aanleg van de infrastructuur. Door een fout van de gemeente in de bestemmingsplanprocedure heeft het langer geduurd om het benodigde (en rechtmatig gebleken) bestemmingsplan vast te stellen en is de gemeente tekortgeschoten in de nakoming van haar inspanningsverplichtingen.6 Dat op grond van het doorlopen van de bestuursrechtelijke kolom sprake was van een rechtmatig bestemmingsplan, stond niet aan het oordeel in de weg dat de uit de overeenkomst voortvloeiende verplichtingen niet zijn nagekomen en de overheid daarvoor aansprakelijk is. Uiteindelijk was de gemeente overigens niet schadeplichtig wegens een in de overeenkomst opgenomen exoneratiebeding waarop zij zich kon beroepen.
Het in paragraaf 8.3 genoemde arrest van het Hof Leeuwarden uit 2005 over de verplaatsing van het attractiepark is eveneens een treffend voorbeeld van de reikwijdte van de formele rechtskracht van het besluit en de wisselwerking tussen de bestuurs- en civielrechtelijke procedure: het op basis van de overeenkomst vastgestelde bestemmingsplan was weliswaar in de bestuursrechtelijke procedure als rechtmatig aangemerkt, maar de gemeente schoot nog steeds tekort in de nakoming van haar civielrechtelijke verplichtingen nu het bestemmingsplan geen zelfstandige horeca-activiteiten toestond, terwijl de gemeente op grond van de overeenkomst verplicht was om deze te creëren.7
In een zaak bij de Rechtbank ’s-Hertogenbosch uit 2009 was sprake van een bevoegdhedenovereenkomst tussen een ondernemersvereniging en de gemeente ’s-Hertogenbosch.8 Het college van B&W heeft zich verplicht om een verkeersbesluit te nemen op grond waarvan het mogelijk zou zijn 30 betaalde parkeerplaatsen en 20 invalidenparkeerplaatsen voor de bezoekers van de aan een plein liggende functies te realiseren. Uiteindelijk kon het college – gelet op het ontbreken van de daartoe benodigde instemming van de gemeenteraad – echter geen besluit nemen dat aan die verplichting voldeed. Hoewel het bestuursrechtelijke traject nog liep, was het duidelijk dat geen besluit zou worden genomen dat zou voldoen aan de afspraken, en kan de civiele rechter reeds oordelen dat de gemeente tekort is geschoten in de nakoming van haar contractuele verplichting tot realisatie van 30 betaalde parkeerplaatsen.
In een tegen de gemeente Wijchen aangespannen procedure was aan (rechtsvoorgangers van) een onderneming door de gemeente ongeclausuleerd beloofd industriegrond te leveren.9 Vervolgens heeft de gemeente echter gronden geleverd met een recreatieve bestemming. De daaropvolgende bestemmingsplanprocedure heeft er niet toe geleid dat alsnog sprake was van industriegrond. De gemeente heeft daarom niet voldaan aan haar verbintenis tot levering van industriegronden en is daarvoor aansprakelijk, ondanks het rechtmatige bestemmingsplan.