Aandeelhoudersverantwoordelijkheid
Einde inhoudsopgave
Aandeelhoudersverantwoordelijkheid (VDHI nr. 129) 2015/3.13.3:3.13.3 Leer van de leegte
Aandeelhoudersverantwoordelijkheid (VDHI nr. 129) 2015/3.13.3
3.13.3 Leer van de leegte
Documentgegevens:
Mr. B. Kemp, datum 21-07-2015
- Datum
21-07-2015
- Auteur
Mr. B. Kemp
- JCDI
JCDI:ADS300173:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Löwensteyn 1970, p. 85.
Honée 1996.
Winter 2007, p. 132. Zie naast Löwensteyn, Honée en Winter ook Blanco Fernandez (in zijn annotatie onder Hof Amsterdam (OK) 17 januari 2007, JOR 2007, 42 (Stork)), Den Boogert (Den Boogert 2005, p. 252 e.v.) en Van Oven (Van Oven 1981, p. 147).
Honée 1996.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De derde leer is de door Eijsbouts als zodanig betitelde ‘leer van de leegte’. Het is geen leer in eigenlijke zin, maar een zich afzetten tegen het begrip vennootschappelijk belang als norm. Zo is Löwensteyn1 van mening, dat een vennootschappelijk belang niet naast het belang van de aandeelhouders past. Honee2 en Winter3 vinden de norm onwerkbaar en bepleiten dat deze gemist kan worden. Honée meende zelfs dat het vennootschappelijk belang commissarissen tot ‘gezanten van Niemandsland’ maakt en dat het begrip teveel zou functioneren als een vrijbrief voor bestuur en commissarissen om de motivering van hun besluiten te versluieren onder een vage norm. Het vennootschappelijk belang zou daarmee als verantwoordingsnorm tekort schieten. Winter bepleit, dat het vennootschappelijk belang als norm dient te worden vervangen door het streven naar aandeelhouderswaarde op de lange termijn.
Deze derde leer, en in het bijzonder de kritiek van Honée, sluit daarmee aan bij de voornoemde rechtseconomische kritiek op het stakeholder model en de richtlijn voor bestuurders en commissarissen zoals opgenomen in de Nederlandse Corporate Governance Code. Het op het stakeholder model gebaseerde vennootschappelijk belang zou te diffuus zijn, waardoor het geen duidelijke richtlijn verschaft en onvoldoende gecontroleerd kan worden door andere stakeholders met zeggenschapsrechten. Bestuurders en commissarissen worden daarmee – in de woorden van Honée – dus gezanten uit Niemandsland.4