Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/7.3.6.2.1
7.3.6.2.1 Onrechtmatigheid in strikt fiscale zin
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940422:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Rb Zeeland-West-Brabant 29 november 2016, V-N 2017/8.6, r.o. 4.19.3, en – daarop volgend – Hof ’s-Hertogenbosch 13 april 2018 (geheimhoudingskamer), V-N 2018/40.17, r.o. 3.19 (zie voor de uiteindelijke afloop HR 21 mei 2021, V-N 2021/23.16, BNB 2021/108).
Bijvoorbeeld door De Blieck e.a. 2009, p. 114 en par. 4.3.4.6, Feteris 2007, p. 301 en Albert 2005, p. 182. Ook in de jurisprudentie wordt deze aanduiding overigens wel gebruikt, zie Hof Arnhem-Leeuwarden 13 maart 2018, V-N 2018/40.21, r.o. 4.9. Naar mijn mening is de aanduiding ‘onbevoegdelijk’ echter niet beter dan ‘onrechtmatig’. De enkele overschrijding van de bevoegdheden brengt immers niet in alle gevallen mee dat er in fiscale zin sprake is van onrechtmatigheid.
Vgl. ook Happé e.a. 2010, par. 3.2.2.1, die een onderscheid aanbrengen tussen de categorieën 1 enerzijds en 2 en 3 anderzijds.
De Blieck e.a. 2009, p. 123-124.
Hof ‘s-Gravenhage 3 juli 1989, BNB 1990/160. Dat betekent niet dat een verschoningsgerechtigde zich altijd kan verzetten tegen het gebruik van informatie die onder zijn beroepsgeheim valt; die informatie kan immers geheel rechtmatig bij de inspecteur zijn terechtgekomen (zie voor een voorbeeld Rb Gelderland 18 september 2018, V-N 2018/66.10, r.o. 15 en 16). Ook kan de belastingplichtige er eenvoudigweg van af zien om een beroep te doen op het verschoningsrecht door de vertrouwelijke informatie aan de inspecteur te (doen) verstrekken, zie HR 21 mei 2021, V-N 2021/23.16, BNB 2021/108, r.o. 4.1.4.
Zie voor het formele verschoningsrecht art. 53a AWR en voor het informele verschoningsrecht (voor accountants en belastingadviseurs) het fair play-arrest HR 23 september 2005, BNB 2006/21, V-N 2005/46.5, NTFR 2005/1233, alsmede het Besluit van 25 januari 2007, nr. CPP2006/2715M, Stcrt. 2007, 24. Wat betreft het formele verschoningsrecht is een wetswijziging op komst, die als doel heeft om ervoor te zorgen dat belastingplichtigen zich niet meer kunnen verschuilen achter bijvoorbeeld een advocaat of notaris. Zie voor de internetconsultatie ter zake van dit wetsvoorstel V-N 2020/40.7.
Zie (in het kader van een informatiebeschikking) r.o. 3.1 van de Hofuitspraak die heeft geleid tot HR 21 mei 2021, V-N 2021/23.16, BNB 2021/108.
Vgl. HR 3 juni 2022, V-N 2022/27.17 inzake een kostenvergoedingsbeschikking ex art. 53 lid 5 AWR. Uit de ‘Handreiking wet-Dezentjé’, V-N 2020/28.19 volgt dat informatie die is verkregen door onrechtmatig opgelegde informatieverplichtingen niet kan worden gebruikt vanwege strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel (p. 31).
Zie Hof ‘s-Hertogenbosch 28 oktober 1988, te kennen uit HR 23 mei 1990, BNB 1990/240, alsmede Hof Leeuwarden 29 november 2011, V-N 2012/14.6.
HR 27 september 2002, BNB 2003/13, r.o. 3.5.
Zie HR 24 april 2015 (civiele kamer), V-N 2015/41.5, BNB 2016/21, NTFR 2015/1499, NJ 2015/265, r.o. 4.3.3 (in het kader van een dwangsom) en Hof Arnhem-Leeuwarden 22 maart 2016, V-N 2016/31.11 (in het kader van een informatiebeschikking). Zie ook HR 18 december 2015, V-N 2016/2.6, r.o. 2.4.3.
HR 21 december 2018, V-N 2019/2.14. De Hoge Raad noemde in dit kader ook nog de artikelen 6 en 46 Wet Politiegegevens (in samenhang met art. 6 Besluit politiegegevens bijzondere opsporingsdiensten) en art. 39f Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens.
De stelling van de belastingplichtige in HR 21 december 2018, V-N 2019/2.14, inhoudende dat het FIOD-dossier van het bewijs diende te worden uitgesloten omdat de inspecteur ten tijde van het opleggen van de aanslagen (nog) geen schriftelijke toestemming van de OvJ had gekregen voor het gebruik daarvan, maar deze pas twee jaar later had gekregen, faalde om deze reden.
Zie – preluderend – HR 8 januari 1986, BNB 1986/128. Zie voorts HR 4 november 1992, BNB 1993/90 en HR 25 november 2022, V-N 2022/29.3 (art. 81 Wet RO) (zorgvuldigheidsbeginsel), alsmede Nationale Ombudsman 30 september 2005, V-N 2005/49.2 (détournement de pouvoir, art. 3:3 Awb).
HR 23 september 1992, BNB 1992/387, r.o. 3.4 (détournement de pouvoir, thans: art. 3:3 Awb). In dezelfde zin: A-G Wattel in zijn Conclusie bij HR 27 februari 2004, BNB 2004/225, par. 4.9.
Voor derdenonderzoeken heeft de inspecteur immers de afzonderlijke bevoegdheid van art. 53 AWR gekregen. Zie bijvoorbeeld Hof Den Haag 3 juli 1989, BNB 1990/160 en Hof ’s-Hertogenbosch 5 december 2002, V-N 2003/9.4.
HR 15 november 2019, V-N 2019/55.21, r.o. 3.4.2.
Hof Leeuwarden 29 november 2011, V-N 2012/14.6, Vgl. ook HR 10 februari 1993, BNB 1993/138 (r.o. 3.13).
Aldus ook: A-G Van Hilten in haar Conclusie van 13 mei 2015, V-N 2015/34.7, par. 9.3.7.
HR 10 februari 1988, BNB 1988/160. Zie ook Happé e.a. 2010, p. 40.
Zie hierover nader paragraaf 7.3.10.2.
Zie HR 23 september 1992, BNB 1992/387, r.o. 3.3.
Rb Zeeland-West-Brabant 29 november 2016, V-N 2017/8.6 (zie voor de uiteindelijke afloop – waar dit aspect geen rol meer speelde – HR 21 mei 2021, V-N 2021/23.16, BNB 2021/108). Een dergelijk gebruik is naar mijn mening overigens ook in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
HR 24 februari 2017, V-N 2017/12.3, BNB 2017/79, HR 24 februari 2017, V-N 2017/12.20.10, HR 24 februari 2017, V-N 2017/12.20.16.
HR 24 februari 2017, V-N 2017/12.3, BNB 2017/79, r.o. 2.3.2-2.3.3.
De Hoge Raad toetste verschillende wettelijke bepalingen aan dit criterium, waaronder art. 55 AWR, zie HR 24 februari 2017, V-N 2017/12.3, BNB 2017/79, r.o. 2.3.4-2.3.5. Overigens liet de Hoge Raad in het midden of de gegevens inderdaad (zoals het Hof had geoordeeld) op grond van art. 55 AWR of juist zonder tussenkomst van het KLPD (zoals de staatssecretaris had verdedigd) waren verkregen.
HR 24 februari 2017, V-N 2017/12.3, BNB 2017/79, r.o. 2.3.5-2.3.6. De zaak werd verwezen om opnieuw te beslissen, ditmaal zonder acht te slaan op de ANPR-gegevens (r.o. 2.3.8).
De wetgever heeft het gebruik van de kentekengegevens in het kader van de handhaving van de Wet MRB naar aanleiding van de arresten van de Hoge Raad per 2019 voorzien van een wettelijke grondslag (art. 77a Wet MRB). In de zaak die heeft geleid tot HR 22 januari 2021, V-N 2021/9.21.4 had de inspecteur eieren voor zijn geld gekozen en de opgelegde aanslagen en boetes in de Wet BZM (ambtshalve) vernietigd vanwege het gebruik van ANPR-gegevens. Het Hof oordeelde later dat de inspecteur dat niet had hoeven doen, omdat de Wet BZM alleen zakelijk wordt geheven en er dus geen inmenging in het privéleven plaatsvindt. De Hoge Raad kwam niet aan een inhoudelijk oordeel toe.
HR 10 april 2020, V-N 2020/18.25, BNB 2020/148. Die basis biedt art. 225 en 234 van de Gemeentewet (mits de eis van het opgeven van het kenteken is uitgewerkt in de toepasselijke gemeentelijke verordening). Zie voorts Hof Amsterdam 1 december 2020, V-N 2021/12.17 (gebruik Basisregistratie Personen voor de afvalstoffenheffing).
HR 10 december 2021, V-N 2021/54.19.
HR 10 december 2021, V-N 2021/54.19, r.o. 5.3-5.4.
Hof ‘s-Hertogenbosch 23 juli 2020, V-N 2021/11.16. De verkrijging door de inspecteur was naar zuiver nationaalrechtelijke maatstaven (gelet op art. 55 AWR) niet onrechtmatig. Overigens acht ik de gronden waarop het Hof tot zijn conclusie kwam, niet geheel zuiver (zie daarover nader in paragraaf 7.3.6.2.2 hierna). Naar mijn mening was er in deze casus sprake van louter fiscaalrechtelijke (en niet van strafrechtelijke) onrechtmatigheid, die erin is gelegen dat de strafrechtelijke informatie door de inspecteur werd gebruikt voor belastingdoeleinden, terwijl dergelijk gebruik niet was toegestaan. Vgl. in dit kader ook HR 4 november 2016, V-N 2016/59.10.
HR 22 september 2023, V-N 2023/42.12. In deze zaak liep het uiteindelijk goed af voor de inspecteur: het informatieverzoek werd gedekt door de uitleg van de term ‘criminal tax matters’ uit dit verdrag.
In strikt fiscale zin kan er op verschillende gronden sprake zijn van onrechtmatig verkregen bewijs.1 In de literatuur wordt overigens, vooral wanneer er sprake is van onrechtmatigheid vanwege het handelen van de inspecteur zelf, dikwijls de aanduiding ‘onbevoegdelijk’ verkregen bewijs gebruikt.2 De gronden voor onrechtmatigheid zijn divers en overlappen elkaar vrijwel altijd. Toch acht ik een categorisering voor een goed begrip van de problematiek zinvol.3
1. Rechtstreekse strijd met de wettelijke informatiebevoegdheden
De informatiebevoegdheden van art. 47 en verder AWR zijn weliswaar ingrijpend en zeer ruim, maar niet onbegrensd. Het is dan ook mogelijk dat de inspecteur bewijs heeft vergaard, in welke fase dan ook, op een wijze die in strijd is met de wettelijke bevoegdheden als zodanig. Het overschrijden van de door de wet getrokken grenzen brengt mee dat aldus vergaard bewijs onder omstandigheden als fiscaal onrechtmatig verkregen moet worden aangemerkt.4
Zo zal een inspecteur die bij een verschoningsgerechtigde zoals een notaris informatie opvraagt, zonder mede te delen of het een onderzoek betreft naar de notaris zelf of naar één van zijn cliënten, de grenzen van zijn bevoegdheden overschrijden als het inderdaad gaat om informatie over derden.5 In dat geval is een mogelijk beroep op het verschoningsrecht immers gefrustreerd.6 Iets dergelijks geldt ook als de inspecteur tijdens een huisbezoek een ordner met correspondentie tussen de belastingplichtige en zijn advocaat meeneemt, terwijl die advocaat zich ten aanzien van die stukken (later) beroept op zijn verschoningsrecht.7 Het kan ook gaan om een informatie-uitvraag die rechtstreeks in strijd komt met het (in)formele verschoningsrecht (bijvoorbeeld het opvragen van de belastingadviezen die een belastingadviseur aan zijn cliënten heeft uitgebracht).8
In dit verband kan ook de situatie worden genoemd waarin de onrechtmatigheid wordt gepleegd jegens een derde, bijvoorbeeld door van een niet-administratieplichtige (op oneigenlijke gronden) informatie af te dwingen over de belastingplichtige.9 Ook in het geval waarin de Belastingdienst tijdens een onaangekondigd bedrijfsbezoek vragen had gesteld aan een werknemer, waarbij het die werknemer werd verboden om contact op te nemen met de eigenaar, was er sprake van onbevoegdelijk verkregen bewijs.10 Verder wijs ik nog op de jurisprudentie waarin de reikwijdte van algemeen geformuleerde, ongespecificeerde informatieverzoeken aan banden is gelegd. Tegen verschillende achtergronden is geoordeeld dat een zogeheten fishing expedition niet is toegestaan.11
De inspecteur kan ook gebruik maken van bewijs dat het OM of de FIOD in het kader van een strafrechtelijk onderzoek (dus met gebruikmaking van strafvorderlijke bevoegdheden) heeft vergaard. Voor zover dergelijke strafvorderlijke gegevens voor de belastingheffing van belang kunnen zijn, bieden (onder meer) art. 55 en art. 80 AWR een algemene wettelijke grondslag voor het ter beschikking stellen daarvan aan de inspecteur.12 De beslissing van het OM of de FIOD om een strafdossier aan de inspecteur te geven, behoeft dan ook niet schriftelijk te worden vastgelegd en evenmin is voor het gebruik ervan voor de belastingheffing de toestemming nodig van degene die de gegevens heeft verstrekt.13
2. Strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur
Het handelen van de inspecteur kan in de aanslagregelende fase en in de bezwaarfase aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur worden getoetst.14 Zo kan strafrechtelijk rechtmatig van de belastingplichtige verkregen informatie in fiscale zin toch onrechtmatig zijn, wanneer het strafrecht door toedoen van de inspecteur slechts als instrument is gebruikt om informatie voor de belastingheffing te vergaren (en niet om een strafrechtelijke veroordeling te bewerkstelligen).15 Die handelwijze is dan strijdig met het verbod op détournement de pouvoir. Hetzelfde geldt als de inspecteur jegens een belastingplichtige gebruikt maakt van zijn informatiebevoegdheden, terwijl hij daarmee slechts beoogt om informatie over derden te verkrijgen.16 De enkele omstandigheid dat de op grond van art. 47 e.v. AWR gevraagde informatie ook ‘andere fiscale doeleinden kan dienen’ (omdat die informatie bijvoorbeeld van belang kan zijn voor (een onderzoek naar) andere belastingplichtigen), brengt echter niet mee dat de inspecteur zijn bevoegdheid misbruikt.17
De algemene beginselen van behoorlijk bestuur werken soms door naar de beroepsfase. De hierna (onder 3.) besproken algemene beginselen van procesrecht worden dikwijls ingevuld aan de hand van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. In een geval waarin de inspecteur zijn bewijspositie in hoger beroep trachtte te verbeteren door middel van een oneigenlijk derdenonderzoek, toetste het Hof de wijze waarop dat was gebeurd bijvoorbeeld aan het zorgvuldigheidsbeginsel, het evenredigheidsbeginsel en het beginsel van ‘fair play’.18
3. Strijd met de algemene beginselen van procesrecht
Bewijs kan voorts onrechtmatig zijn, omdat de wijze waarop het is vergaard in strijd is met de algemene beginselen van procesrecht.19 Het gaat dan per definitie om bewijsgaring in de (hoger) beroepsfase. In verband met de gelijkwaardigheid van partijen ten overstaan van de rechter, en het feit dat de rechter toeziet op de procesorde, is het de inspecteur bijvoorbeeld niet toegestaan om in (hoger) beroep voor zijn bewijsgaring gebruik te maken van de bevoegdheden ex art. 47 en verder AWR.20 Dit geldt alleen voor zover jegens de belastingplichtige zelf medewerking wordt afgedwongen;21 als het gaat om informatie van derden ligt dat anders.22
4. Strijd met algemene rechtsbeginselen, grondrechten of verdragsrechtelijke waarborgen
De wijze van informatievergaring en de omstandigheden waaronder dat gebeurt, kunnen ten slotte ook rechtstreeks strijd opleveren met algemene rechtsbeginselen, met grondrechten of met door internationale verdragen beschermde waarborgen.
Te denken valt bijvoorbeeld aan een ongeoorloofde schending van art. 8 EVRM, dat het recht op privacy en het gezinsleven beschermt. Bij een huisbezoek is van een inbreuk op het privéleven geen sprake, wanneer de betrokkene op basis van vrijwilligheid toestemming voor het binnentreden heeft gegeven aan de betreffende autoriteiten. Die toestemming moet zijn gebaseerd op volledige en juiste informatie over de redenen en het doel van het huisbezoek. Wanneer een dergelijke toestemming is gegeven aan een belastingambtenaar in zijn hoedanigheid als ontvanger, mag het vervolgens aangetroffen bewijs dus gebruikt worden voor de invordering van belastingaanslagen. Wanneer diezelfde belastingambtenaar dat bewijs in zijn hoedanigheid als inspecteur gebruikt om nieuwe belastingaanslagen op te leggen, is dat echter onrechtmatig, omdat ter zake van dat gebruik geen toestemming was verleend.23
Begin 2017 heeft de Hoge Raad enkele zaken berecht waarin de inspecteur voor het bewijs van (de bijtelling vanwege) het privégebruik van de auto gebruik had gemaakt van kentekensignaleringen afkomstig van politiecamera’s die waren uitgerust met automatische nummerplaatregistratie (ANPR).24 De Hoge Raad stelde voorop dat het verzamelen, vastleggen, bewerken, bewaren en gebruiken van de ANPR-gegevens in het licht van art. 10 Gw en art. 8 EVRM een voldoende precieze wettelijke grondslag behoeft, nu deze systematische wijze van gegevensverzameling als een inbreuk op het door art. 8 EVRM beschermde recht op privéleven heeft te gelden.25 Vervolgens oordeelde de Hoge Raad dat een dergelijke, precies geformuleerde wettelijke bepaling omtrent dat gebruik door de inspecteur ontbrak,26 zodat de inspecteur over de met ANPR-camera’s verzamelde gegevens had beschikt ‘als resultaat van een systematische inbreuk op artikel 8 EVRM’. Onder die omstandigheden kon de informatie door de inspecteur niet worden gebruikt om daarop de naheffingsaanslagen te baseren.27 De jurisprudentie van de Hoge Raad heeft ook invloed gehad op het gebruik van ANPR-gegevens voor de heffing van de Wet MRB en de Wet BZM.28 Later heeft de Hoge Raad geoordeeld dat er in het kader van de parkeerbelasting wél een voldoende wettelijke basis was voor de opgave van het kenteken.29
Verder valt in dit verband te denken aan het eind 2021 gewezen FSV-arrest, waarin de Hoge Raad zich uitsprak over de mogelijke onrechtmatigheid van bewijs dat voortkomt uit vastleggingen in de databank ‘Fraude Signalering Voorziening’ en het zogenoemde ‘Project 1043’.30 De Hoge Raad oordeelde dat het niet onrechtmatig is om, als bij de aanslagregeling van enig jaar wordt geconstateerd dat de belastingplichtige geen recht heeft op een bepaalde aftrekpost, onderzoek te gaan doen naar aangiften over eerdere of latere jaren. Het maakt daarbij niet uit of de gegevensverwerking op zichzelf beschouwd onrechtmatig is (bijvoorbeeld in het licht van de AVG). Dat kan in uitzonderlijke situaties anders zijn. Als de controle van de aangifte voortvloeit uit een risicoselectie of databank waarbij een criterium wordt gebruikt dat tegenover de belastingplichtige leidt tot de schending van een grondrecht (zoals het verbod op discriminatie naar afkomst, geaardheid of geloofsovertuiging), kan het gebruik van het op basis van dat criterium verkregen bewijs ontoelaatbaar zijn.31
Ook afspraken uit bilaterale verdragen kunnen ertoe leiden dat de bewijsvergaring door de inspecteur onrechtmatig is. Dit was bijvoorbeeld aan de orde in een zaak waarin het draaide om informatie uit Hong Kong, die op grond van een internationaal strafrechtelijk rechtshulpverzoek, via het Nederlandse OM, bij de inspecteur was terechtgekomen. Het Verdrag inzake wederzijdse rechtshulp in strafzaken tussen Nederland en Hong Kong bepaalde echter dat gebruik voor andere dan strafrechtelijke doeleinden nu juist niet de bedoeling was (althans niet zonder dat vooraf uitdrukkelijk te melden aan de verdragspartner). Om die reden oordeelde Hof ’s-Hertogenbosch dat het bewijs voor fiscale doeleinden moest worden uitgesloten.32 Een ander recent voorbeeld uit de jurisprudentie betrof de vraag of de inspecteur zijn bevoegdheden had overschreden bij zijn informatieverzoek aan de autoriteiten van Jersey (op grond van het bilaterale informatie-uitwisselingsverdrag tussen Nederland en Jersey).33