RvdW 2026/532:Profijtontneming, w.v.v. uit deelneming aan criminele organisatie die zich bezighoudt met phishingfraude. Toerekening w.v.v. in geval van meerdere daders. Schatting w.v.v. i.v.m. verdeling tussen betrokkene en andere leden van criminele organisatie. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR 30 maart 2010, NJ 2010/202, inhoudende dat m.b.t. mate van toerekening van w.v.v. aan betrokkene niet eis geldt dat daaraan ten grondslag liggende f&o aan wettige bewijsmiddelen moeten zijn ontleend, uit HR 9 december 2008, NJ 2009/19 over toerekening w.v.v. in geval van meerdere daders en mogelijkheid van pondspondsgewijze toerekening, en uit HR 30 oktober 2001, NJ 2002/124, m.nt. P.A.M. Mevis m.b.t. kosten die voor aftrek in aanmerking komen en motiveringsplicht voor rechter bij verweer dat bepaalde kosten bij schatting w.v.v. moeten worden afgetrokken. Opvatting dat niet alleen schatting w.v.v. maar ook mate van toerekening daarvan aan betrokkene moet kunnen worden afgeleid uit gebruikte b.m., is gelet op wat hiervoor is vooropgesteld onjuist. Hof heeft aan oordeel dat betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen ten grondslag gelegd dat hij in strafzaak is veroordeeld voor deelneming aan criminele organisatie die als oogmerk had plegen van oplichting, (gewoonte)witwassen en (gewoonte)heling. Daarbij heeft hof o.m. vastgesteld dat betrokkene voorname rol had in de door criminele organisatie verrichte criminele activiteiten, dat personen t.a.v. wie deelneming aan die criminele organisatie is bewezenverklaard ieder eigen rol en taak hadden, en dat aan dossier en verhandelde ttz. geen indicatie valt te ontlenen voor verdeling van opbrengst, behalve t.a.v. medebetrokkene A, die verklaring heeft afgelegd over de aan haar toegekende vergoeding. Verder heeft hof op het tot uitgangspunt genomen totale oplichtingsbedrag de geschatte kosten die in relatie staan tot de door organisatie gepleegde delicten in mindering gebracht, waarbij het ervan is uitgegaan dat ‘katvangers en hun begeleider(s) een vergoeding hebben gekregen’ en dat ‘daarnaast ook andere kosten zijn gemaakt’. Het op deze manier berekende w.v.v. heeft hof, na aftrek van het o.b.v. van verklaring van A aan haar toegerekende voordeel, pondspondsgewijs verdeeld tussen betrokkene en ‘andere hoofdrolspelers in criminele organisatie’, onder wie ‘niet voor zijn kennelijke aandeel in organisatie veroordeelde B’. Dat oordeel is, tegen achtergrond van wat hiervoor is vooropgesteld en in aanmerking genomen dat hof heeft vastgesteld dat betrokkene zelf geen inzicht heeft gegeven in (onderlinge) verdeling van behaald voordeel, toereikend gemotiveerd, ook in het licht van wat namens betrokkene ttz. in hoger beroep is aangevoerd. Omstandigheid dat op pagina van het door hof bevestigde vonnis van Rb in strafzaak melding wordt gemaakt van onduidelijkheid over wie ‘brein is achter organisatie’, maakt dat niet anders. In de eerste plaats heeft hof met zijn verwijzing naar die pagina kennelijk slechts bedoeld daar geschetste wezenlijke rol van betrokkene (uitzoeken van de aan te schaffen goederen, vinden, ronselen en instrueren van potentiële katvangers, zorgen voor snelle doorverkoop van aangeschafte goederen en in ontvangst nemen van opbrengst van katvangers) in zijn oordeel te betrekken. In de tweede plaats heeft hof in zijn verdeling, naast de op die pagina genoemde personen (A, C en betrokkene), daadwerkelijk rekening gehouden met ‘niet voor zijn kennelijke aandeel in organisatie veroordeelde persoon’ (B). Dat hof in wat namens betrokkene is aangevoerd of anderszins is gebleken geen aanleiding heeft gezien om afgezien van ‘hoofdrolspelers’ C, B en betrokkene nog andere personen in verdeling te betrekken of daarbij tot andere dan pondspondsgewijze verdeling te komen, is niet onbegrijpelijk. Volgt verwerping. CAG: anders. Samenhang met RvdW 2026/531 en met 23/03766 P, 23/03767 en 23/03890 (niet gepubliceerd; geen middelen ingediend, verdachte/betrokkene n-o).