Einde inhoudsopgave
Bestuurdersaansprakelijkheid in theorie (IVOR nr. 108) 2017/3.7.7
3.7.7 Objectieve toets van de inspanningsverbintenis (de maatman-bestuurder)
mr. W.A. Westenbroek, datum 01-09-2017
- Datum
01-09-2017
- Auteur
mr. W.A. Westenbroek
- JCDI
JCDI:ADS349737:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Op de vraag wanneer (in welke gevallen) sprake is van onbehoorlijke taakvervulling door een bestuurder ga ik in dit proefschrift niet uitvoerig in. De wetsgeschiedenis noemt een aantal voorbeelden, bijvoorbeeld het verkopen van onroerend goed tegen een veel te lage prijs, het handelen in strijd met het vennootschappelijk belang of vennootschappelijk doel, het verkrijgen van kredieten tegen het stellen van onevenredig grote zekerheden en het onder omstandigheden handelen met een tegenstrijdig belang. Zie: Kamerstukken II 1983/84,16 631, nr. 6 (MvA), p. 4-5. Voor een uitvoerig overzicht van wettelijke bepalingen en jurisprudentie die relevant zijn bij de vraag of sprake is van (on)behoorlijke taakvervulling, zij verwezen naar: Assink 2007, p. 516-526. Voor de goede orde merk ik hier op dat een inspanningsverbintenis en een objectieve maatstaf met elkaar kunnen samengaan. De vraag of aan de ‘inspanning’ om behoorlijk te besturen is voldaan wordt namelijk gemeten aan de hand van een objectieve maatstaf. Dat maakt het geen resultaatsverbintenis: de bestuurder heeft immers niet de verplichting om een bepaald ‘resultaat’ te bereiken.
Kist & Visser 1929, p. 236.
Kamerstukken II 1983/84, 16 631, nr. 6 (MvA), p. 19.
Kamerstukken II 1983/84, 16 631, nr. 9 (Nota naar aanleiding van het eindverslag), p. 2.
Pitlo/Löwensteyn 1986, p. 76 en Pitlo/Löwensteyn & Raaijmakers 1994, p. 71.
Eykman 1986, p. 87 e.v.
Asser/Maeijer & Dortmond 2-III 1994/321.
Zie ook: Timmerman 2009b, p. 483 en Strik 2010, p. 292.
HR 10 januari 1997, NJ 1997, 360 m.nt. J.M.M. Maeijer en JOR 1997/29 (Staleman/Van de Ven).
HR 8 juni 2001, NJ 2001, 454 en JOR 2001/171 m.nt. S.C.J.J Kortmann (Gilhuisq.q. Panmo/H). Zie ook: HR 7 juni 1996, NJ 1996, 695 m.nt. J.M.M. Maeijer en JOR 1996/69 m.nt. S.C.J.J. Kortmann (Ontvanger/Van Zoolingen) met betrekking tot aansprakelijkheid op grond van art. 36 Invorderingswet.
Kamerstukken II 2008/09, 31 763, nr. 3 (MvT), p. 9.
HR 8 april 2005, NJ 2006, 443 m.nt. G. van Solinge en JOR 2005/119 m.nt. M. Brink (Laurus).
Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009/756-760 en de daarin genoemde rechtspraak.
Hof Amsterdam (OK) 21 juni 1979, NJ 1980, 71 (Batco), Hof Amsterdam (OK) 8 oktober 1987, NJ 1988, 99 m.nt. J.M.M. Maeijer, HR 10 januari 1990, NJ 1990, 466 m.nt. J.M.M. Maeijer (Ogem).
Asser/Maeijer & Dortmond 2-III 1994/321.
Glasz 1986, p. 81.
Eykman 1986, p. 81.
Huizink 2016, GS Rechtspersonen, art. 2:9 BW, aant. 8.1.
Borrius 2012, par. 8.4.0.
Dit neemt natuurlijk niet weg dat de vaststelling dat bepaalde subjectieve kennis aanwezig was in bewijsrechtelijke zin relevant is voor de vraag of de bestuurder aansprakelijk is. Indien bepaalde subjectieve kennis aanwezig was hoeft namelijk niet meer te worden stilgestaan bij de vraag of hij die kennis ook behoorde te hebben (geobjectiveerde wetenschap).
Assink 2007, p. 525 en de daarin genoemde jurisprudentie.
Rb. Oost-Brabant 17 juli 2013, RO 2013/73 (Stichting Bureau Jeugdzorg).
Om welke reden ik zou menen dat de in HR 27 februari 2015, NJ 2015, 240 m.nt. P. van Schilfgaarde (ING/D) opgenomen overweging dat onbekendheid van de bestuurder met een bepaalde wettelijke bepaling die van toepassing is op de rechtspersoon “mede van belang kan zijn” bij de vraag of hij persoonlijk een ernstig verwijt jegens een derde heeft geschonden met voldoende nuance is geformuleerd in het licht van de in deze zaak vastgestelde feiten. De Hoge Raad overwoog namelijk voorts dat de benadeelde niet hoeft te stellen dat de bestuurder wel bekend was met een bepaalde wettelijke regel (dat mag de benadeelde namelijk veronderstellen) en dat de bestuurder zelf dus een beroep erop zal moeten doen dat hij niet bekend was met de wettelijke regel. Maar het enkele stellen dat hij niet bekend was met de wettelijke regel zal mijns inziens hem nog niet vrijpleiten. In de betrokken zaak had de bestuurder bijvoorbeeld advies ingewonnen bij een advocaat en had hij op dat advies vertrouwd. Van Schilfgaarde merkt in zijn noot terecht op dat de benadering van de Hoge Raad meer in overeenstemming is met het oorspronkelijke in het Latijn negatief geformuleerde adagium ‘Nemo censetur ignorare legem’, letterlijk vertaald: “niemand wordt geacht de wet niet te kennen”.
Borrius 2012, par. 8.4.1 onder verwijzing naar Assink 2007, p. 516-526.
Assink, Bröring, Timmerman & De Valk 2011, p. 63.
In aanvulling op hetgeen ik hiervoor in par. 3.7.4 reeds opmerkte over de objectieve toets die dient te worden gehanteerd, kan worden vastgesteld dat van oudsher breed is aanvaard dat de verplichting van de bestuurder om zijn taak behoorlijk te vervullen, een inspanningsverbintenis en niet een resultaatsverbintenis betreft (zie par. 4.3 en 5.3.3 hierna) en dat de maatstaf om te beoordelen wanneer sprake is van een tekortschieten in de nakoming van die inspanningsverbintenis, een objectieve maatstaf is.1 Deze objectieve maatstaf kwam bijvoorbeeld reeds tot uiting in het sinds 1925 geldende art. 31 Wet op de Coöperatieve Vereeniging (zie par. 3.2). Lid 3 daarvan bepaalde dat voor de beoordeling van de aansprakelijkheid van de bestuurder, de bestuurder “geacht wordt kennis te hebben gekregen” van al datgene “wat hem bij eene richtige waarneming zijner betrekking” niet onbekend gebleven zou zijn.
In verband met het in 1929 ingevoerde art. 47c WvK (oud) (zie par. 3.2) schreef Visser voorts dat de bestuurder, bij de aanvaarding van zijn benoeming tot bestuurder, verplichtingen op zich neemt “waarvan wel de eerste en voornaamste is, dat hij zijn taak als bestuurder naar beste krachten en zoals het een goed bestuurder betaamt, vervult”. Verder schreef hij:
“Die behoorlijke taakvervulling [van art. 47c WvK (oud), toev. auteur] brengt niet mede, dat hij in te staan heeft voor den voordeeligen afloop der door hem namens de vennootschap aangegane transacties, maar betekent alleen, dat hij zijn taak heeft te verrichten volgens redelijke eischen van inzicht, zorgvuldigheid en toewijding, dat hij bij de vervulling daarvan handelt, zoals men in de gegeven omstandigheden van een goed bestuurder mag verwachten. Of een doen of niet doen aan die eischen beantwoordt, zal voor ieder geval de rechter hebben te beoordelen.”2
In de wetsgeschiedenis van art. 2:138/248 BW komt de hiervoor door Visser omschreven objectieve maatstaf ook terug. Uit die wetsgeschiedenis blijkt dat art. 2:138/248 BW steunt op de gedachte dat een bestuurder moet instaan voor zijn kwaliteiten als zodanig.3 De instructie aan de rechter is dat hij zal moeten letten op wat verstandige ondernemers in dezelfde of aanverwante branche van bedrijvigheid als onbehoorlijk zouden beschouwen en dat hij zal moeten trachten objectief vast te stellen of het gedrag in kwestie, als (kennelijk) onbehoorlijk moet worden aangemerkt (zie par. 3.7.4 en par. 3.7.7).4
In latere literatuur wordt niet afgeweken van deze zienswijze. De bestuurder zal pas aansprakelijk zijn, wanneer hij heeft gehandeld zoals onder de gegeven omstandigheden een redelijk oordelende bestuurder met de voor een bestuurder van deze rechtspersoon vereiste bekwaamheden nimmer zou hebben gedaan.5 Bij het behoorlijk vervullen van de bestuurstaak is sprake van het voldoen aan een inspanningsverbintenis.6 Er is pas een tekortkoming wanneer men is tekortgeschoten in de inspanning die onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijze kon worden verlangd.7 Daarbij wordt aldus een objectieve toets gehanteerd.8
In latere rechtspraak is deze objectieve toets duidelijker naar voren gekomen. In het kader van de aansprakelijkheid van bestuurders van rechtspersonen op grond van art. 2:9 BW spreekt de Hoge Raad in het hierna in par. 4.4 te bespreken arrest Staleman/Van de Ven9 bijvoorbeeld over “het inzicht en de zorgvuldigheid die mogen worden verwacht van een bestuurder die voor zijn taak berekend is en deze nauwgezet vervult”. In het kader van aansprakelijkheid van bestuurders in geval van faillissement van de besloten en naamloze vennootschap ex art. 2:138/248 BW spreekt de Hoge Raad voorts over kennelijk onbehoorlijk bestuur “als geen redelijk denkend bestuurder onder dezelfde omstandigheden aldus zou hebben gehandeld”.10 Op het gebied van het enquêterecht spreekt de Hoge Raad in de Laurus-beschikking, waarnaar in de wetsgeschiedenis van het huidige art. 2:9 BW uitdrukkelijk wordt verwezen,11 tot slot over “een taakvervulling die niet in overeenstemming is met de wijze waarop een redelijk bekwame en redelijk handelende functionaris de taak in de gegeven omstandigheden had behoren te vervullen”.12 Op het gebied van het enquêterecht zijn nog meer objectieve en concrete toetsingsnormen/toetsingsregels geformuleerd, bijvoorbeeld (i) het (gedurende geruime tijd) handelen in strijd met statuten en dwingende wetgeving, (ii) het onvoldoende gescheiden houden van de persoonlijke belangen en de belangen van de betrokkenen bij de rechtspersoon en (iii) het onvoldoende verstrekken van informatie dan wel het verstrekken van onjuiste informatie aan aandeelhouders, de ondernemingsraad of andere belanghebbenden bij de rechtspersoon.13 Meer in het algemeen wordt ook genoemd het handelen in strijd met elementaire beginselen van verantwoord ondernemerschap.14
De hiervoor in de rechtspraak uiteengezette gedragsnormen hebben derhalve met de wetsgeschiedenis gemeen dat zij een bepaalde objectivering in zich dragen over de vraag of de bestuurder heeft voldaan aan zijn inspanningsverbintenis jegens de rechtspersoon. Zo kan een bestuurder zich (anders dan een werknemer) niet verschuilen achter onervarenheid of ongeschiktheid voor de functie.15 Een bestuurder kan zich niet disculperen met het excuus dat hij naar beste weten heeft gehandeld, doch dat het niveau van kennis en bekwaamheid niet toereikend was. Van een bestuurder mag worden verwacht dat hij geschiktheid bezit.16 Onbekwaamheid voor de functie kan niet tot disculpatie leiden.17 Wie de taak van de bestuurder op zich neemt, staat tot op zekere hoogte ervoor in dat hij de daartoe vereiste bekwaamheden bezit. Mist hij het inzicht of de bekwaamheid die van iemand in zijn positie redelijkerwijs kan worden verwacht, dan zal hij te zijner disculpering daarop geen beroep kunnen doen.18 Van alle bestuurders mag immers worden verwacht dat ze over voldoende kunde en expertise beschikken voor de algemene bestuurstaken en voor het algemene en financiële beleid dat tot de verplichting van alle leden wordt gerekend. Wat mag redelijkerwijs van hen worden verwacht?19 Oftewel, niet relevant is wat de bestuurder wist of begreep. Uitsluitend relevant is wat de bestuurder moest hebben geweten of moest hebben begrepen. De rechtspersoon hoeft in dat verband geen onderzoek te doen naar werkelijke subjectieve kennis van de bestuurder. Uitsluitende geobjectiveerde kennis is relevant.20
Een bestuurder dient bij het maken van zakelijke (beleids)afwegingen bovendien op een geïnformeerde grondslag en doordachte wijze te handelen21 en zo nodig advies in te winnen bij deskundigen. Als het bestuur op een bepaald terrein onvoldoende expertise in huis heeft, dienen de bestuurders zich – met het oog op een behoorlijke taakvervulling – van extern advies door deskundigen te laten voorzien.22 Waar het om gaat is dat het bestuur onderkent welke informatie en advisering benodigd is voor de (kern)activiteiten van de onderneming en ervoor zorgt dat deze behoorlijk worden ingevuld en uitgevoerd.23 Bij de vraag of een bestuurder zich vanwege ingewonnen advies kan disculperen, is van belang of de informatie toereikend was en daarnaast betrouwbaar. Of de bestuurder voldoende geïnformeerd is, al dan niet door medebestuurders, hangt af van onder meer de aard, strekking en complexiteit van de te nemen beslissing, de aard en waarneembaarheid van de gelopen risico’s, de (te verwachten) kennis, ervaring en eventuele routine van het bestuur, de kwaliteit, aard en omvang van de voorhanden informatie, de kosten, tijdspanne en de financiële toestand van de vennootschap.24
Het antwoord op de vraag of de bestuurder is tekortgeschoten in de door hem te leveren inspanningsverbintenis, wordt dus op een objectieve wijze bepaald zonder onderscheid des persoon. Er kan als het ware worden gesproken van een ‘maatman-bestuurder’. Zijn aansprakelijkheid wordt vastgesteld overeenkomstig hetgeen redelijkerwijs van een bestuurder, die voor zijn taak berekend is en deze nauwgezet vervult, verwacht kan worden. Het belang van de objectieve benadering is vooral dat het de bestuurder dwingt zich bij het aanvaarden van zijn functie af te vragen of hij wel over de vereiste bekwaamheden beschikt om de bestuursfunctie, in de vennootschap waarin hij benoemd wordt, adequaat te kunnen vervullen. Een ander wenselijk gevolg van deze benadering is dat de achteraf toetsende rechter zich niet in allerlei interne mentale processen hoeft te verdiepen die in het hoofd van de handelende bestuurder hebben afgespeeld (al dan niet af te leiden uit de omstandigheden van het geval). Dit zou wel vereist zijn als voor aansprakelijkheid van een bestuurder – kort gezegd – subjectieve kwade trouw vereist zou zijn.25 De vraag is dus niet of de bestuurder schuld treft in de civielrechtelijke context, maar of het handelen van de bestuurder de objectieve toets van de maatman-bestuurder kan doorstaan. Dat betekent overigens niet dat iedere vergissing of omissie leidt tot de kwalificatie inhoudelijk of collegiaal onbehoorlijke taakvervulling. Ook een maatman-bestuurder maakt immers wel eens een vergissing. Waar gehakt wordt, vallen spaanders (zie par. 3.7.8). De rechter heeft bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een inhoudelijke of collegiale onbehoorlijke taakvervulling de ruimte om daarin van geval tot geval tot een redelijk oordeel te komen. Doorstaat het handelen of nalaten van de bestuurder de toets van de maatman- bestuurder evenwel niet, dan schrijft de wetgever ex art. 2:9 BW jo. art. 2:25 BW dwingendrechtelijk voor dat de bestuurder aansprakelijk is.