Einde inhoudsopgave
De rol van de paritas creditorum bij een faillissement 2023/4.1
4.1 Het beginsel van de gelijkheid van schuldeisers in de schemerperiode
mr. M.J. Noteboom, datum 31-05-2022
- Datum
31-05-2022
- Auteur
mr. M.J. Noteboom
- JCDI
JCDI:ADS686157:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Bartman 2011, p. 128 noemt dit het beginsel van de betalingsautonomie.
Vgl. Van der Felz I 1994, p. 436 en Van der Weijden 2012, p. 23.
Zie Van der Feltz I 1994, p. 436 en 449. Vgl. Van Schilfgaarde in zijn annotatie onder randnummer 5 bij HR 12 juni 1998, NJ 1998/727 (Coral/Stalt) en A-G Timmerman in ECLI:NL:PHR:2013:BZ7199 (conclusie bij HR 21 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ7199 (Eringa/ABN Amro)) onder 3.3.
Völlmar 1961, p. 628, verwoordt dit treffend door te stellen: “… Bovendien heeft iemand die meerdere schulden te voldoen heeft niet altijd zijn schuldeisers gelijkelijk lief en komt hij, wanneer een financiële débâcle dreigt, wel eens in de verleiding om zijn favorieten maar spoedig te voldoen, teneinde hen te behoeden voor het dikwijls weinig voordelige “pondspondsgewijs”.
Zie nader over de twilight period de oratie van Lennarts (Lennarts 2006) en Schreurs 2017. In Pattinson 2013 wordt met betrekking tot 21 landen (onder meer) uiteengezet wanneer in het rechtsstelsel van het betreffende land de twilight period aanvangt. De memorie van toelichting spreekt overigens van: “den vooravond van het faillissement”. Zie Van der Feltz I 1994, bijvoorbeeld op p. 437 en op p. 449. Er zijn ook schrijvers die spreken over “de verdachte periode”. Zie bijvoorbeeld Rijckenberg 2008. Bartman 2011 spreekt over de “feitelijke liquidatiefase”.
Over de vraag wanneer de schemerperiode precies aanvangt, is discussie mogelijk nu dit bij wet in Nederland niet is vastgelegd. In Frankrijk heeft de wetgever hier bijvoorbeeld wel voor gekozen: zie L 631-1 Code de commerce: “Il est institué une procédure de redressement judiciaire ouverte à tout débiteur mentionné aux articles L. 631-2 ou L. 631-3 qui, dans l’impossibilité de faire face au passif exigible avec son actif disponible, est en cessation des paiements. Le débiteur qui établit que les réserves de crédit ou les moratoires dont il bénéficie de la part de ses créanciers lui permettent de faire face au passif exigible avec son actif disponible n’est pas en cessation des paiements.“
Soms kunnen pas juridische consequenties worden verbonden aan het intreden van de schemerperiode indien ook de schuldeiser weet of behoort te weten dat deze periode is aangevangen. Dit doet niet af aan het feit dat de periode aanvangt met de wetenschap van de schuldenaar. Aan het enkele feit dat de schuldenaar deze wetenschap heeft, kunnen juridische consequenties zijn verbonden (zie bijvoorbeeld art. 42 lid 1 jo. art. 42 lid 2 Fw, onverplichte rechtshandeling om niet), zodat deze toestand daarmee (niet eerder, maar ook niet later) juridisch tot leven wordt gewekt.
Op 0.00 uur van de dag van uitspraak (zie artikel 23 Fw).
Zie voor artikel 42 Fw nader HR 22 december 2009, NJ 2010/273, r.o. 3.7 (ABN AMRO/Van Dooren q.q. III). Voor artikel 54 Fw zie nader: Zie HR 30 januari 1953, NJ 1953/578 (Doyer & Kalff), HR 7 oktober 1988, NJ 1989/449 (AMRO/THB) en HR 17 februari 1995, NJ 1996/471 (Mulder q.q./CLBN). Het criterium ziet op de wetenschap van benadeling (dat zoals later nog zal blijken slechts één van de eisen is om te komen tot toepasselijkheid van de genoemde beschermingsmaatregelen). Een ander standpunt neemt o.a. Van Eeghen 2006, p. 12 e.v. in die stelt dat de schemerperiode begint bij verhaalsinsolventie. Verhaalsinsolventie doet zich hierbij volgens Van Eeghen voor “als er na de liquidatie onvoldoende zou zijn om alle crediteuren te kunnen betalen”.
Zie paragraaf 3.2.
Dit onderzoek beperkt zich niet tot de schemerperiode voor faillissement, maar strekt zich ook uit tot de periode daarvoor bijvoorbeeld bij het onderzoek naar de vraag of het faillissement niet is veroorzaakt door kennelijk onbehoorlijk bestuur.
Zie HR 14 januari 1983, NJ 1983/597 (Peeters q.q./Gatzen).
Zie 3.3.1.
Wessels III 2019, p. 13-14, merkt op in het kader van de bespreking van de pauliana: “Ten aanzien van het herstel van het verhaalsvermogen (zie de MvT, t.a.p.: ‘… het onderpand zijner schuldeischers) dienen om deze reden in de prefaillissementsfase de beginselen te gelden die in volle omvang mét de faillietverklaring tot hun recht komen, zoals het fixatiebeginsel, het beginsel van de gelijkheid van schuldeisers en het beginsel van de exclusieve bevoegdheid van de curator.”
Een schuldenaar staat het in beginsel vrij over zijn vermogen te beschikken op een wijze die hem goeddunkt.1 Meer in het bijzonder geldt dat een schuldenaar in beginsel geen rekening hoeft te houden met de wettelijke verdelingsregels zoals neergelegd in Titel 10 Boek 3 BW. Hetzelfde geldt voor een schuldeiser die zijn rechten wil doen gelden. In beginsel hoeven de schuldeisers van een schuldenaar bij de incassering van hun vordering of bij het versterken van hun verhaalspositie geen rekening te houden met de medeschuldeisers van de schuldenaar.2 De wetgever heeft als ratio achter deze vrijheid genoemd het belang van het (handels)verkeer.3 In het handelsverkeer hebben partijen immers belang bij de zekerheid dat een ontvangen betaling definitief is en dat geen rekening hoeft te worden gehouden met de mogelijkheid dat de ontvangen betaling weer moet worden terugbetaald. Het uitgangspunt is derhalve dat iedere schuldeiser zich kan verhalen op het vermogen van de schuldenaar. Indien dit vermogen toereikend is, botsen de onderlinge belangen van de schuldeisers hierbij ook niet: iedere schuldeiser kan ontvangen waar hij recht op heeft. Dit verandert echter in de schemerperiode voor faillissement. Een betaling aan de ene schuldeiser zorgt er dan regelmatig voor dat de overige schuldeisers minder verhaal kunnen vinden.
Een schuldeiser kan – in de wetenschap dat een faillissement van zijn schuldenaar redelijkerwijs valt te verwachten – in de verleiding komen vóór het faillissement in samenspraak met de schuldenaar tot voldoening van zijn vordering te komen.4 De schuldeiser benadeelt hierdoor zijn medeschuldeisers die hierdoor minder zullen ontvangen. Er ontstaat in deze periode een spanningsveld tussen enerzijds het belang van het handelsverkeer om onaantastbare rechtshandelingen te kunnen verrichten en anderzijds de belangen van de schuldeisers van een schuldenaar om tijdens zijn faillissement hun vordering betaald te krijgen. De periode waarin dit spanningsveld speelt, wordt wel genoemd de schemerperiode (of: twilight period) voor een faillissement.5
Als hierna wordt gesproken over het begrip “schemerperiode vóór faillissement”, wordt daarmee bedoeld:6 de periode die aanvangt vanaf het moment dat een faillissement en een tekort daarin met een redelijke mate van waarschijnlijkheid zijn te voorzien door de schuldenaar.7 Deze periode duurt tot het moment van faillietverklaring.8 Aansluiten bij het criterium dat het faillissement en het tekort met een redelijke mate van waarschijnlijkheid zijn te voorzien als startmoment van de schemerperiode acht ik geïndiceerd nu deze voorzienbaarheid een aangrijpingspunt is voor beschermingsmaatregelen zoals bijvoorbeeld neergelegd in artikel 42 Fw en artikel 54 Fw.9
In hoofdstuk 310 is al uiteengezet dat de curator ex artikel 68 Fw belast is met het beheer en de vereffening van de boedel. Onderdeel van deze taak is de zogenaamde reconstructie van de boedel. Hierbij wordt door de curator onderzocht11 in hoeverre er in de periode voor faillissement ontoelaatbare handelingen hebben plaatsgevonden ten gevolge waarvan de gezamenlijke schuldeisers van de schuldenaar zijn benadeeld. Als dergelijke handelingen zich hebben voorgedaan, kan de curator overgaan tot redres van schuldeisersbenadeling. Hierbij staan de curator met name ten dienste de faillissementspauliana ex art. 42 en art. 47 Fw, een beroep op het in art. 54 Fw neergelegde verrekeningsverbod, de vordering uit hoofde van bestuurdersaansprakelijkheid ex art. 2:138 en 2:248 BW en de zogenaamde Peeters/Gatzenvordering, op grond van onrechtmatige daad die de gefailleerde zelf niet toekomt, maar die ertoe strekt een benadeling van de gezamenlijke schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden ongedaan te maken.12
In hoofdstuk 313 is toegelicht dat aan het faillissementsrecht het beginsel van de gelijkheid van schuldeisers ten grondslag ligt. In het kader van de faillissementsprocedure dienen schuldeisers in gelijke gevallen op gelijke wijze te worden behandeld. Hierna zal worden onderzocht of dit beginsel onder omstandigheden ook in regels tot uitdrukking komt in de schemerperiode voor faillissement.14 Hierna zal in dit kader allereerst worden nagegaan of de regel van de paritas creditorum in deze periode werking kan hebben. Daarna zal worden onderzocht of het beginsel in andere regels tot uitdrukking komt.