Einde inhoudsopgave
Afspraken en Aanspraken (SteR nr. 57) 2023/9.5.2
9.5.2 Stap 1: het vaststellen van het csqn-verband
N. van Triet, datum 23-12-2022
- Datum
23-12-2022
- Auteur
N. van Triet
- JCDI
JCDI:ADS685478:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie uitgebreid Fruytier 2021, hoofdstuk 3 tot en met 5.
HR 6 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:18, NJ 2017/62, AB 2017/407 (UWV/X).
HR 6 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:18, NJ 2017/62, AB 2017/407 (UWV/X), rov. 3.4.4.
Fruytier 2021, par. 3.6. Van de Sande 2019a, par. 7.2.2 onderscheidt de hypothetische situaties dat de overheid (i) juiste en volledige informatie heeft verstrekt; (ii) af heeft gezien van informatieverstrekking of (iii) nog steeds onjuiste of onvolledige informatie heeft verstrekt. Mijns inziens betekent de invulling van de hypothetische situatie simpelweg dat geen sprake is van een schending van een waarheidsplicht en de burger dus wel in staat is gesteld juiste beslissingen te nemen naar aanleiding van de informatieverstrekking. Of dat is gebeurd door geen informatie of andere, juiste, informatie te verstrekken is dan niet relevant.
Van de Sande 2019a, par. 7.2.3.
Vgl. HR 5 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH2815, NJ 2012/182 (Effectenlease Dexia), rov. 5.5.1, waarin wordt gewezen op het verweer dat ook indien aan de zorgplicht zou zijn voldaan, nog steeds schade door de benadeelden zou zijn geleden.
Rb. Zeeland-West-Brabant 18 mei 2016, ECLI:NL:RBZWB:2016:5186.
De rechtbank heeft de zaak naar de rol verwijzen voor conclusie na tussenvonnis om eiser in de gelegenheid te stellen om met de door de rechtbank vastgestelde uitgangspunten zijn schade opnieuw te specificeren.
Zie bijv. Rb. Oost-Brabant 2 juni 2022, ECLI:NL:RBOBR:2022:2141.
In rov. 4.7 van Rb. Rotterdam 21 februari 2018, ECLI:NL:RBROT:2018:1727 wordt overwogen dat sprake is van causaal verband.
Hof Den Haag 8 september 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:1629, rov. 5.14-5.52.
Hof ’s-Hertogenbosch 7 april 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:1213, rov. 6.12.
Rb. Overijssel 17 juni 2015, ECLI:NL:RBOVE:2015:3126, rov. 4.6.2.
Rb. Overijssel 17 juni 2015, ECLI:NL:RBOVE:2015:3126, rov. 4.7.
Het leerstuk van causaal verband is in het overheidsaansprakelijkheidsrecht in het bijzonder ontwikkeld binnen het besluitenaansprakelijkheidsrecht.1 De Hoge Raad overweegt in zijn standaardarrest UWV/X daaromtrent:2
“Het causale verband als bedoeld in art. 6:162 lid 1 BW (het condicio sine qua non-verband), waar het hier om gaat, moet immers worden vastgesteld door vergelijking van enerzijds de situatie zoals die zich in werkelijkheid heeft voorgedaan, en anderzijds de hypothetische situatie die zich zou hebben voorgedaan als de onrechtmatige gedraging achterwege was gebleven.”3
In paragraaf 9.3 heb ik geconstateerd dat om onrechtmatig handelen aan te nemen, de overheid een waarheidsplicht moet hebben geschonden. Het niet voldoen aan die verplichting moet als een onrechtmatig nalaten worden gekwalificeerd. Uitgaande van een schending van die plicht, bestaat de hypothetische situatie om causaal verband vast te stellen uit een situatie waarin de overheid haar waarheidsplicht niet heeft geschonden en de burger zijn gedrag wél op de ontvangen informatie mocht afstemmen. 4 Dit zal in de regel betekenen dat moet worden vastgesteld wat zou zijn gebeurd indien de overheid juiste informatie had verstrekt.
Niet alleen moet worden vastgesteld wat de overheid zou hebben gedaan in de hypothetische situatie dat zij juiste informatie zou hebben verstrekt, maar ook wat de burger vervolgens in die hypothetische situatie van juiste informatieverstrekking zou hebben gedaan.5 Zou de burger anders hebben gehandeld in de hypothetische situatie waarin hij in staat zou zijn gesteld om op basis van de aan hem verstrekte informatie juiste beslissingen te nemen?6
Beide elementen – het gedrag van de overheid en fidens in de hypothetische situatie – komen naar voren in een vonnis van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uit 2016. Eiser had een pand gekocht naar aanleiding van door de gemeente Sluis verstrekte informatie dat de exploitatie van een discotheek daarin mogelijk was. Vervolgens is aan hem voor die exploitatie een vergunning verstrekt. In dat vertrouwen heeft hij, mede door de gemeente opgelegde, ingrijpende en kostbare verbouwingen aan het pand uitgevoerd en maatregelen getroffen om geluidsoverlast te beperken.7 Nadat de hoogste bestuursrechter heeft geoordeeld dat de discotheek definitief gesloten moest worden, bleken die investeringen voor niets te zijn geweest, waarvoor eiser de gemeente aansprakelijk stelt.
De rechtbank overweegt dat de gemeente op grond van vergunningaanvragen van eiser wist dat eiser zijn pand wilde verbouwen voor de exploitatie van een discotheek. De rechtbank oordeelt dat de gemeente in elk geval sinds het verlenen van een exploitatievergunning had moeten informeren dat het voornemen om het pand uit te bouwen voor de exploitatie van een discotheek in strijd was met het bestemmingsplan. Daarbij betrekt de rechtbank dat er ‘voortdurend en intensief contact’ was tussen de gemeente en eiser in verband met terugkerende klachten van omwonenden tegen de exploitatie van de discotheek. Ook heeft eiser in dat kader aan de gemeente gevraagd of hij voldeed aan de eisen voor de exploitatie van de discotheek en de daartoe benodigde vergunningen. De gemeente heeft eiser er niet op gewezen dat de exploitatie van de discotheek in strijd was met het bestemmingsplan en heeft door middel van het verlenen van de milieu-, bouw- en exploitatievergunningen en het overleg over de wijze waarop hij de discotheek gelet op de klachten van de omwonenden kon blijven exploiteren (bijvoorbeeld door het op verzoek van de gemeente treffen van maatregelen die geluidsoverlast beperken en het instellen van een alternatieve busroute) juist het vertrouwen gewekt dat die exploitatie mogelijk was. Hierdoor heeft de gemeente eiser op het verkeerde been gezet en niet gehandeld zoals van een maatschappelijk zorgvuldig handelend overheidsorgaan mag worden verwacht. Bij een juiste mededeling over de mogelijkheid tot exploitatie (namelijk: de exploitatie is in strijd met het bestemmingsplan) zouden de ingrijpende investeringen waarschijnlijk achterwege zijn gelaten.8 In de hypothetische situatie dat de gemeente zou hebben voldaan aan haar waarheidsplicht, had eiser volgens de rechtbank de juiste beslissingen genomen en zou de in de feitelijke situatie geleden schade er niet zijn geweest.
Bij de invulling van de hypothetische situatie zal de rechter in de regel uitgaan van juiste informatieverstrekking, waarop de burger vervolgens ‘correct’ heeft gehandeld zodat hij in die situatie geen of minder schade zou hebben geleden. 9
Uit de jurisprudentie volgt kortom dat de civiele rechter de toets van causaliteit invult door aan te nemen dat in de hypothetische situatie de overheid juiste informatie heeft verstrekt en de vertrouwende burger daarop zijn gedrag zou hebben afgestemd op een manier dat hij in de hypothetische situatie geen of minder schade zou hebben geleden.
Die invulling van de hypothetische situatie wordt onderstreept bij het onder de loep nemen van de drie casus van dit hoofdstuk op het punt van causaal verband.
In de casus van de afgebrande woning heeft de gemeente nagelaten een vraag over het doorlopen van een vrijstellingsprocedure voor de herbouw van een woning correct te beantwoorden. De hypothetische situatie bestaat er dan uit dat de overheid direct had geïnformeerd dat de vrijstellingsprocedure moest worden doorlopen, de eigenaar meteen de vrijstelling had aangevraagd en in die situatie niet de vertragingsschade zou hebben geleden die hij in de feitelijke situatie heeft.10 Sprake is dus van een causaal verband tussen de onrechtmatige handeling en de door de eigenaar geleden schade. Er vindt vervolgens vergoeding plaats van de hypotheeklasten die langer doorliepen, extra energiekosten, advocaatkosten en de verminderde waarde van de woning omdat door de vertraging de woning later in de kredietcrisis – toen de waarde van de woning was afgenomen – te koop moest worden gezet.11 De coffeeshophouder die toch niet in aanmerking kwam voor zijn horecavergunning is ‘afgegaan’ op de onjuiste mededelingen over verplaatsingsmogelijkheden door naar aanleiding daarvan een onderzoek in te stellen naar locaties voor verplaatsing van zijn coffeeshop, althans de vestiging van een nieuwe coffeeshop.12 In de hypothetische situatie waarin juiste informatie was verstrekt, zou dit onderzoek niet zijn ingesteld en had appellant geen vergeefse kosten gemaakt. De huursommen voor de huurovereenkomst die is afgesloten om het pand op de voorgestelde locatie ook daadwerkelijk te kunnen gebruiken en de verbouwingskosten die zijn gemaakt om het pand gebruiksklaar te maken komen voor vergoeding in aanmerking.
Bij het misgelopen appartemensgebouw oordeelt de rechter dat als gevolg van de stelligheid van de (onjuiste) mededelingen van de ambtenaar, de burger definitief is ontmoedigd om aan zijn ideeën tot het bouwen van appartementen gevolg te geven en daarvoor kosten te maken. Daardoor is de burger ‘volledig op het verkeerde been gezet’ nu de ontwikkelingsmogelijkheden in werkelijkheid juist ruim waren. In de hypothetische situatie dat hij juist was geïnformeerd en een vergunning had aangevraagd, had hij die op grond van het limitatief imperatieve stelsel van de Woningwet ook moeten krijgen.13 De zaak is verwezen naar de schadestaatprocedure. De door eiser gevorderde kosten bestaan onder meer uit gederfde winst.14