Niet-betaling in de btw
Einde inhoudsopgave
Niet-betaling in de btw (FM nr. 152) 2018/4.3.2:4.3.2 Ontstaansmoment recht op teruggaaf
Niet-betaling in de btw (FM nr. 152) 2018/4.3.2
4.3.2 Ontstaansmoment recht op teruggaaf
Documentgegevens:
dr. mr. B.G.A. Heijnen, datum 01-03-2018
- Datum
01-03-2018
- Auteur
dr. mr. B.G.A. Heijnen
- JCDI
JCDI:ADS494561:1
- Vakgebied(en)
Invordering / Algemeen
Omzetbelasting / Algemeen
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In deze paragraaf staat art. 29 lid 2 Wet OB 1968 (vanaf 2017) centraal. In dit artikellid is bepaald dat het recht op teruggaaf ontstaat op het tijdstip waarop de annulering, verbreking, ontbinding, gehele of gedeeltelijke niet-betaling of de prijsvermindering komen vast te staan, met dien verstande dat in geval van gehele of gedeeltelijke niet-betaling van de in rekening gebrachte vergoeding het recht op teruggaaf geacht wordt te zijn ontstaan uiterlijk een jaar na het tijdstip waarop de vergoeding opeisbaar is geworden. Het meest opvallende verschil met art. 29 lid 1 Wet OB 1968 (tot 2017) is de introductie van een bewijsvermoeden van één jaar. Tot 2017 werd enkel teruggaaf van btw verleend, indien en voor zover de vergoeding niet was en niet zou worden ontvangen. Uit hierna te bespreken rechtspraak blijkt dat het recht op teruggaaf van btw ontstond op het moment waarop redelijkerwijs door de leverancier mocht worden aangenomen dat de afnemer de factuur niet meer zou betalen. In paragraaf 4.3.2.1 staat de vraag centraal of dit in de rechtspraak ontwikkelde ‘redelijkheidscriterium’ onder het huidige art. 29 lid 2 Wet OB 1968 onverkort van toepassing is. In paragraaf 4.3.2.2 ga ik vervolgens dieper in op de éénjaarstermijn. Paragraaf 4.3.2.3 staat vervolgens in het teken van de geldigheid van de regeling in het licht van het Unierecht. De verhouding tot het rechtskarakter van de btw komt aan de orde in paragraaf 4.3.2.4. Ik sluit af met een conclusie in paragraaf 4.3.2.5.
4.3.2.1 Het redelijkheidscriterium4.3.2.2 De éénjaarstermijn4.3.2.3 Verhouding tot het Unierecht4.3.2.4 Verhouding tot het rechtskarakter4.3.2.5 Slotsom