Einde inhoudsopgave
Het algemene opschortingsrecht (R&P nr. CA27) 2024/3.4.1
3.4.1 Het bestaan van de vordering
G.J. Boeve, datum 01-02-2024
- Datum
01-02-2024
- Auteur
G.J. Boeve
- JCDI
JCDI:ADS950301:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook Logmans 2011, p. 44 en Kruissen 2008, p. 40.
Uit de gepubliceerde civiele rechtspraak sinds 2017 zijn mij 204 uitspraken bekend waarin het opschortingsverweer niet werd gehonoreerd bij gebrek aan een vordering van de schuldenaar. Ter illustratie verwijs ik naar Hof ’s-Hertogenbosch 14 maart 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:828, r.o. 6.18; Hof Arnhem-Leeuwarden 7 maart 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:2008, r.o. 3.7; Hof Den Haag 18 oktober 2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:1998, r.o. 15.1-15.3; Hof Amsterdam 6 september 2022, ECLI:NL:GHAMS:2022:2625, r.o. 4.17; Rb. Amsterdam 23 maart 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:1704, r.o. 1.8; Rb. Rotterdam 15 maart 2023, ECLI:NL:RBROT:2023:2155, r.o. 4.25; Rb. Midden-Nederland 18 januari 2023, ECLI:NL:RBMNE:2023:136, r.o. 4.5; Rb. Overijssel 7 maart 2023, ECLI:NL:RBOVE:2023:955, r.o. 5.12 en Rb. Den Haag 28 september 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:10048, rov 4.5.
Zie bijv. Rb. Gelderland 28 september 2022, ECLI:NL:RBGEL:2022:5403, r.o. 7.9-7.10.
Zie bijv. Hof Arnhem-Leeuwarden 27 december 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:11164, r.o. 3.7 (“Zij huurde de vloer en de bar nu eenmaal niet.”); Hof Arnhem-Leeuwarden 8 november 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:9626, r.o. 6.4 (“Als zodanig is het opstellen en verzenden van een factuur geen prestatie (verbintenis) die uit de overeenkomst van partijen volgt.”) en Rb. Overijssel (vzr.) 10 mei 2022, ECLI:NL:RBOVE:2022:1347, r.o. 5.6 (“Dat Heeren XVII weigert het addendum te ondertekenen is geen gegronde reden voor opschorting, omdat Heeren XVII daartoe niet verplicht is.”)
Zie bijv. Rb. Gelderland 6 juli 2022, ECLI:NL:RBGEL:2022:3338, r.o. 7.3 en 7.18.
Zie bijv. Rb. Limburg 25 november 2020, ECLI:NL:RBLIM:2020:9782, r.o. 2.11 (“In rechte kan daarom niet worden vastgesteld dat [gedaagden] een bevoegdheid tot opschorting van hun terugbetalingsverplichting hebben.”) en Rb. Oost-Brabant (vzr.) 8 januari 2019, ECLI:NL:RBOBR:138, r.o. 5.11 (‘zodat de gestelde vordering onvoldoende inzichtelijk blijft’).
Vgl. bijv. HR 4 februari 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA4732, NJ 2000/258 (Kinheim/Pelders), waarin de rechtbank het i.v.m. een schadevergoedingsvordering uit hoofde van wanprestatie gevoerde opschortingsverweer afwees omdat de wederpartij niet in verzuim was komen te verkeren, maar de schuldenaar had aangevoerd dat nakoming blijvend onmogelijk was en de cassatieklachten tegen het falen van de grief die tegen het verwerpen van het opschortingsverweer was gericht, slaagden.
Zie ook § 3.2, i.h.b. het voorbeeld van de partij die een beroep op opschorting doet in verband met een vordering die haar zustervennootschap op haar wederpartij heeft.
HR 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1811, RvdW 2018/1033 (Licorne), r.o. 3.3.2-3.3.3. Zie over dit arrest ook Boeve 2018a.
Zie § 2.8 en voorts § 3.4.2.
De schuldenaar ontleent zijn bevoegdheid om de door zijn wederpartij verlangde nakoming van zijn verbintenis op te schorten aan zijn met die verbintenis samenhangende, opeisbare vordering op zijn wederpartij. Zonder vordering kan de schuldenaar zich in beginsel niet beroepen op het algemene opschortingsrecht.1 Het vereiste van het bestaan van een vordering lijkt voor het algemene opschortingsrecht dan ook vanzelfsprekend.2 De praktijk leert daarentegen dat in veel gevallen een opschortingsverweer niet wordt gehonoreerd, omdat het de schuldenaar ontbreekt aan een vordering.3 Soms is de vordering in het geheel niet gesteld.4 Ook kan een schuldeiser eenvoudigweg niet gehouden zijn tot datgene waartoe de schuldenaar meent dat zijn schuldeiser jegens hem verplicht is.5 Voorts kan een schuldenaar zijn klachtplicht hebben geschonden, waardoor hij zijn opschortingsverweer is verloren.6 In een enkel geval komt de rechter tot het oordeel dat een vordering ontbreekt, omdat de schuldenaar daarvoor onvoldoende heeft gesteld.7 Veelal is in de gevallen waarin een vordering ontbreekt niet aan de materiële vereisten van het gepretendeerde vorderingsrecht voldaan. De gestelde tekortkoming of de beweerd geleden schade komt bijvoorbeeld niet vast te staan.8 Soms is wel aan de materiële vereisten voor het bestaan van een vordering van de schuldenaar voldaan, maar komt de rechter tot het oordeel dat niet de in de procedure betrokken schuldenaar het vorderingsrecht heeft.9 Ook dan ontbreekt het de schuldenaar aan een vordering op zijn wederpartij. Een dergelijk geval leidde tot het arrest Licorne c.s./X, waarin de Hoge Raad, anders dan het hof, overwoog dat de in de procedure betrokken schuldenaar wel tevens schuldeiser was.10 In de periode waarin de schuldenaar het algemene opschortingsrecht uitoefent, kan het hem ook gaan ontbreken aan een vordering op zijn schuldenaar. In dat geval eindigt zijn opschortingsbevoegdheid.11 Dat de vordering, in verband waarmee de schuldenaar zich op een opschortingsrecht beroept, of de omvang van die vordering is betwist, staat op zichzelf niet aan het beroep op opschorting in de weg.12