Einde inhoudsopgave
De civielrechtelijke inbedding van het besluitenaansprakelijkheidsrecht (O&R nr. 128) 2021/7.4.2.2
7.4.2.2 Duwbak Linda versus Schietincident Alphen a/d Rijn
mr. P.A. Fruytier, datum 01-06-2021
- Datum
01-06-2021
- Auteur
mr. P.A. Fruytier
- JCDI
JCDI:ADS284557:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Overheid en privaatrecht
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Voetnoten
Voetnoten
HR 7 mei 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO6012, NJ 2006/281, m.nt. J. Hijma (Duwbak Linda).
Conclusie A-G Spier voor HR 7 mei 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO6012, NJ 2006/281, m.nt. J. Hijma (Duwbak Linda), nr. 4.8.1-4.20. Van Dunné wijst er volgens mij terecht op dat uit de wetsgeschiedenis nogal indringend volgt dat de wetgever de veiligheid van opvarenden en andere deelnemers aan de binnenvaart op het oog heeft. Zie Van Dunné 2007, p. 124-125. Dat volgt onder meer met zoveel woorden uit de met de RosR samenhangende parlementaire geschiedenis van de Binnenschepenwet (MvT, p. 26): “De veiligheidsregeling voor de vaart op binnenwateren, met name de certificaats- en vaarbewijsverplichting, behoort zich uit te strekken niet alleen tot wat algemeen onder schepen wordt verstaan, maar ook andere voorwerpen, die actief of passief deelnemen aan de vaart (…). De vaart met deze vaartuigen dient eveneens veilig te zijn zowel voor opvarenden als voor de andere deelnemers aan de binnenvaart.”
Van der Kooij 2019, nr. 271 wijst er, met vele anderen, volgens mij terecht op dat geen van de argumenten werkelijk overtuigt. Dat de eigenaar aansprakelijk blijft, doet op zichzelf aan de aansprakelijkheid van de overheid nog niet af. Verder zijn er tal van gevallen waarin de schade bij een onbeperkte groep kan ontstaan. Denk bijvoorbeeld aan Kelderluik-situaties of het geval waarin de wegbeheerder diepe en gevaarlijke sluizen in de openbare weg had gemaakt zonder daarvoor voldoende te waarschuwen (HR 23 maart 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0549, NJ 1993/547, m.nt. C.J.H. Brunner (Bussluis)). Ook dat raakt uiteraard een in beginsel onbeperkte groep weggebruikers. Van der Kooij plaatst Duwbak Linda op het niveau van de vraag of de wet aan de gelaedeerde een actie uit onrechtmatige daad wil toekennen. Omdat de wet volgens hem slechts de veiligheid in algemene zin wil bevorderen, is dat niet het geval. Ik acht die redenering niet overtuigend, omdat noch uit de wet noch uit de wetsgeschiedenis of enige andere bron volgt dat de wetgever de gelaedeerde geen actie heeft willen geven.
HR 20 september 2019, ECLI:NL:HR:2019:1409, AB 2020/1, m.nt. C.N.J. Kortmann (Schietincident Alphen a/d Rijn).
De Hoge Raad noemt art. 7 aanhef en onder b en c, art. 28 lid 2 aanhef en onder c (in beginsel geen vergunning aan minderjarigen), art. 28 lid 4 (verlening slechts voor één jaar) en art. 7 lid 2 (tussentijdse intrekking indien verleningsgronden niet of niet meer aanwezig zijn).
In Barneveld/Gasunie gaat de Hoge Raad nog verder. Daar spreekt de Hoge Raad expliciet uit dat aan de aansprakelijkheid van de Gemeente niet afdoet dat de vergunninghouder zelf in de eerste plaats verantwoordelijk is voor diens onterechte bouw op de gasleiding. Het is echter onduidelijk waarom dat zo is.
Zie ook bijv. Verheij 2020, onder 3 en 4.
Zie onder meer Albers 2005, p. 493; Giesen 2005, p. 170; Gelpke 2005, 144; Van Rossum 2005, p. 81-82; Hartlief 2006, p. 799-800; Van Dunné 2007, p. 129; Hoekstra 2008, p. 110; Wiggers-Rust 2011, p. 148 en Di Bella 2014, p. 141-142.
Duwbak Linda
485. In Duwbak Linda1 gaat het om het volgende. Een duwbak met de naam Linda ligt in een zogenaamd grindgat afgemeerd tegen een baggercombinatie van Van Hasselt. De Linda zinkt vervolgens bij de belading. Daardoor raakt ook de baggercombinatie beschadigd. De bodem van de Linda blijkt lek te zijn geweest als gevolg van corrosie. Die corrosie is weer het gevolg van slecht onderhoud. Van Hasselt spreekt daarop (onder meer) de Staat aan ter vergoeding van zijn schade. De Staat alsmede het door hem daartoe ingeschakelde keuringsbureau Van Duijvendijk keuren namelijk schepen ter toelating tot het scheepvaartverkeer; daartoe verplicht het Reglement onderzoek schepen op de Rijn 1975 (RosR), dat weer is gebaseerd op een verdrag: de Herziene Rijnvaartakte. Zonder een door de Staat resp. het keuringsbureau afgegeven certificaat is het niet toegelaten aan het binnenscheepvaartverkeer deel te nemen. Volgens Van Hasselt heeft de Staat jegens hem onrechtmatig gehandeld wegens (a) het in strijd met het RosR verlengen van een certificaat voor de Linda, nu de duwbak reeds verroest was en dus niet aan de materiële voorwaarden voor toelating voldeed en (b) omdat de keuring op grond van het RosR zorgvuldig moest worden verricht.
486. Volgens de Hoge Raad strandt de vordering op de relativiteit. Uit de wetsgeschiedenis van de RosR, de Herziene Rijnvaartakte en aanverwante regelgeving volgt volgens de Hoge Raad op zichzelf wel duidelijk dat de keuring ziet op de veiligheid van het scheepvaartverkeer en ongelukken wil voorkomen.2 De Hoge Raad maakt op basis van de – door de A-G in zijn conclusie besproken – wetsgeschiedenis echter een onderscheid tussen de bescherming van de veiligheid ‘in het algemeen’ en de bescherming van individuele vermogensbelangen. Volgens de Hoge Raad strekken het RosR, de Herziene Rijnvaartakte en de daarin voorziene certificaateis ertoe de veiligheid van het scheepvaartverkeer in algemene zin te bevorderen, waaronder mede is te verstaan het voorkomen van ongevallen als gevolg van ondeugdelijkheid van aan het Rijnvaartverkeer deelnemende vaartuigen. Zowel de geschonden bepalingen van het RosR als de daarmee samenhangende zorgvuldigheidsverplichting strekken volgens de Hoge Raad echter niet tot bescherming van het individuele vermogensbelang van derden die schade lijden doordat een onzorgvuldig gekeurd schip een ongeval veroorzaakt. Daarbij is volgens de Hoge Raad verder het volgende in aanmerking te nemen:
De certificaatafgifte en keuring vloeien voort uit de algemene verantwoordelijkheid van de overheid voor de veiligheid van het scheepvaartverkeer;
De eigenaar blijft ondanks de betrokkenheid van de Staat zelf verantwoordelijk voor de deugdelijkheid en veiligheid van het schip bij de exploitatie en de deelname aan het verkeer en voor een regelmatige controle en het onderhoud daarvan;
Het certificaat wil slechts een deugdelijke staat van het schip bevorderen, maar biedt daartoe geen garantie. Als zich als gevolg van onvoldoende onderhoud een ongeval voordoet, berust de aansprakelijkheid op het feit dat de eigenaar verantwoordelijk is voor de deugdelijkheid en veiligheid van het schip;
De algemene verantwoordelijkheid van de Staat om bij de certificaatafgifte ten behoeve van een veilig scheepvaartverkeer zorgvuldig te werk te gaan, heeft niet de strekking een in beginsel onbeperkte groep derden te beschermen tegen vermogensschade die op vooraf veelal niet te voorziene wijze kan ontstaan doordat de ondeugdelijkheid en onveiligheid van het schip bij de keuring niet aan het licht is gekomen.
Gezien de strekking van de norm is evenmin van belang of er redenen waren de bak extra kritisch te onderzoeken, omdat deze ten tijde van de keuring 32 jaar oud was en eerder was afgezien van een verzoek om verlenging.
487. Volgens de Hoge Raad gaat het er in de kern dus om dat de certificaatafgifte onderdeel vormt van de algemene taak van de overheid om de veiligheid van de Rijnvaart te bevorderen. De eigenaar blijft zelf verantwoordelijk voor zijn schip. De overheid is – zo begrijp ik de passage – slechts ‘secundaire’ dader. Bovendien wijst de Hoge Raad op het gevaar dat aansprakelijkheid zou ontstaan jegens een onbeperkte groep derden.
Schietincident Alphen a/d Rijn
488. Laten we – wat er ook zij van de overtuigingskracht van de argumenten op zichzelf –3 de motivering en uitkomst van Duwbak Linda eens vergelijken met de Schietincident Alphen a/d Rijn-zaak.4 Daarin ging het om het volgende. Tristan van der Vlis heeft in 2011 in een winkelcentrum te Alphen aan de Rijn zes mensen doodgeschoten en zeventien mensen verwond. Verder heeft hij schietend verschillende eigendommen van winkeliers beschadigd. De Politieregio Holland Midden (de Politie) heeft Van der Vlis in 2008 in strijd met art. 7 lid 1 aanhef en onder b Wet wapens en munitie (WWM) een wapenvergunning gegeven voor de door hem gebruikte wapens. Op grond van die bepalingen moet een vergunning worden geweigerd als er reden is aan te nemen dat de aanvrager het onder zich hebben van vuurwapens niet kan worden toevertrouwd of er reden is te vrezen dat de aanvrager daarvan misbruik zal maken. Daarvoor was in dit geval alle reden: Van der Vlis is in 2006 gedwongen opgenomen geweest in een psychiatrisch ziekenhuis op grond van de wet Bijzondere opnemingen psychiatrische ziekenhuizen (Bopz) en was in 2003 al een keer betrokken geweest bij luchtdrukwapenincidenten. Slachtoffers, nabestaanden en winkeliers spreken de Politie aan voor de door hen door de onterechte wapenvergunningverlening geleden letselschade en zaakschade.
489. De Hoge Raad stelt voorop dat moet worden onderzocht tot welke personen, schade en wijze van intreden de bescherming van de geschonden norm strekt. De Hoge Raad oordeelt dat de geschonden WWM-normen5 onmiskenbaar strekken tot bescherming van de veiligheid van de samenleving. Dat volgt volgens de Hoge Raad zowel uit de belangrijkste bepalingen die de vergunningverlening regelen (art. 7 aanhef en onder b en c, art. 28 lid 2 aanhef en onder c en art. 28 lid 4 WWM) alsmede de parlementaire geschiedenis van de Vuurwapenwet 1919 – de voorloper van de WWM. Een vergunning kan blijkens de regeling slechts worden verleend als dat gelet op de veiligheid verantwoord is. De bestaansgrond daarvan is gelegen in de risico’s die zijn verbonden aan het voorhanden hebben van vuurwapens. Gelet op die bestaansgrond moet volgens de Hoge Raad aangenomen worden dat de geschonden WWM-normen niet alleen beogen de veiligheid van de samenleving in algemene zin te bevorderen – zoals het geval was in Duwbak Linda – maar ook om te voorkomen dat individuele burgers het slachtoffer worden van onverantwoord vuurwapenbezit. Volgens de Hoge Raad strekt de norm verder tot bescherming tegen zowel letsel- en overlijdensschade alsook tegen andere schade door vuurwapengebruik. Daaraan voegt hij wel toe dat op de voet van art. 6:98 BW (een deel van) de schade mogelijk niet kan worden toegerekend, omdat deze bijvoorbeeld in een te ver verwijderd verband staat met de onrechtmatige daad.
Dezelfde gezichtspunten leiden tot tegengestelde uitkomst
490. De wijze waarop de Hoge Raad in Duwbak Linda en Schietincident Alphen a/d Rijn de uiteenlopende uitkomst bereikt overtuigt volgens mij niet, omdat de argumentatie inwisselbaar is. Het certificeringssysteem van de RosR is net zozeer gericht op de handhaving van de veiligheid van het binnenscheepvaartverkeer als het wapenvergunningstelsel gericht is op de veiligheid van de samenleving. De parlementaire geschiedenis gaf in Duwbak Linda ook aanleiding te aanvaarden dat het certificeringssysteem beoogt de opvarenden en de schepen van anderen te beschermen, zoals de parlementaire geschiedenis van de Vuurwapenwet 1919 dat voor de bescherming van burgers tegen vuurwapengeweld doet. De Hoge Raad verklaart niet waarom de stap van bescherming van de ‘algemene veiligheid’ naar de bescherming van de ‘individuele veiligheid’ in Duwbak Linda niet kan worden gemaakt en in Schietincident Alphen a/d Rijn wel.
491. Het valt verder op dat de overige argumenten die in Duwbak Linda werden gehanteerd om de relativiteit af te wijzen (zie hierboven onder (ii)-(iv)), in Schietincident Alphen a/d Rijn helemaal niet meer genoemd of gewogen worden. Waar het secundair daderschap van de Staat in Duwbak Linda nog gewicht in de schaal legt, is dat gezichtspunt in Schietincident Alphen a/d Rijn helemaal verdwenen. De Politie was bij de onterechte verlening van de vergunning echter evenzeer secundair dader. De verantwoordelijkheid voor alle schade ligt uiteraard in de eerste plaats bij de schutter.6 Ook het argument van de ‘onbeperkte groep van derden’ valt in Schietincident Alphen a/d Rijn weg. Dat is vreemd, omdat dat gezichtspunt in die kwestie evenzeer speelt: de groep die te maken kan krijgen met vuurwapengeweld als gevolg van een onterechte vergunningverlening is net zozeer onbeperkt als het aantal reders en opvarenden dat te maken kan krijgen met schade als gevolg van een ondeugdelijk schip. Sterker, de groep individuele winkelende burgers en winkeliers is denk ik vele malen groter dan het aantal reders en opvarenden. De aanwezigen in het winkelcentrum hadden eenvoudigweg hele domme pech.
492. Ten slotte valt op dat de Hoge Raad zich niet zo goed raad lijkt te weten met de in Schietincident Alphen a/d Rijn door de winkeliers gevorderde zaakschade wegens beschadiging van hun winkels. De Hoge Raad neemt aan dat de geschonden norm ook tegen die schade wil beschermen. Tegelijkertijd lijkt hij wel aan te voelen dat het vreemd zou zijn als die schade volledig moet worden vergoed, omdat men vuurwapengebruik toch vooral associeert met dood en letsel. De Hoge Raad zet daarom in op art. 6:98 BW: die zaakschade moet wel getoetst worden aan de art. 6:98 BW-toerekeningsvereisten. Ik wees er in de vorige paragraaf al op dat deze constructie mij bevreemdt, omdat de positief vormgegeven drieledige relativiteit veronderstelt dat al is vastgesteld óf de geschonden norm strekt tot bescherming van de gelaedeerde tegen die schade en de intredingswijze daarvan. Het is weinig overtuigend te zeggen dat de norm de winkeliers wél wil beschermen tegen die schade, maar die schade desondanks niet voor vergoeding in aanmerking komt. We zagen eerder dat de Hoge Raad in een art. 6:98 BW-context om die reden ook meent dat geen verdergaande toets aan de relevante gezichtspunten is vereist (zie hiervoor §7.4.1).
493. De uitleginstrumenten kunnen volgens mij de verschillende uitkomst van Duwbak Linda en Schietincident Alphen a/d Rijn niet goed verklaren. Dezelfde type aanwijzingen uit de parlementaire geschiedenis en de aan het systeem van de wet ontleende argumenten leiden zonder goede verklaring tot verschillende uitkomsten. Aanvullende gezichtspunten, zoals de onbeperkte groep van derden en het secundair daderschap van de overheid bieden evenmin een begrijpelijk aanknopingspunt ter vaststelling van het beschermingsbereik van de norm. Zij kunnen leiden tot afwezigheid van relativiteit, maar zijn soms weer irrelevant.7 Verder is onduidelijk waarom volgens de Hoge Raad schade waartegen de geschonden norm, zowel qua type als wijze van ontstaan, wil beschermen desondanks niet voor vergoeding in aanmerking zou kunnen komen op de voet van art. 6:98 BW.
494. In de literatuur is ter verklaring van de uitkomst van Duwbak Linda overigens met name gewezen op de rechtspolitiek ingegeven angst voor een stortvloed aan schadeclaims.8 Dat is begrijpelijk, omdat de Hoge Raad oordeelt dat aansprakelijkheid zou ontstaan jegens ‘een onbeperkte groep van derden.’ Toch geloof ik niet dat daarin de daadwerkelijke beweegreden van de Hoge Raad schuilt. Ten eerste is het aantal claims als gevolg van scheepsongevallen wegens een onterechte toelating volgens mijn voorzichtige inschatting niet zeer aanzienlijk. Hoe vaak gebeurt er een ongeval op de binnenvaart? En hoe vaak komen er ten onrechte schepen door de keuring? Bovendien, en belangrijker, heeft de Hoge Raad die angst bij het wijzen van Schietincident Alphen a/d Rijn kennelijk niet gehad. Ook in die casus bestaat kans op aanzienlijke schadevorderingen jegens de Staat. Dat heeft de Hoge Raad er niet van weerhouden aansprakelijkheid aan te nemen. We zagen hierboven ook al dat het ‘onbeperkte groep van derden’-argument daar ontbreekt. Ik zie op het eerste gezicht echter geen reden aan te nemen dat de kans op een scheepsongeval wegens een onterechte toelating tot de scheepvaart veel groter of kleiner is dan de kans op een schietincident als gevolg van een onterechte vergunningverlening.