Einde inhoudsopgave
Aandeelhoudersverantwoordelijkheid (VDHI nr. 129) 2015/3.13.2
3.13.2 Holistische leer
Mr. B. Kemp, datum 21-07-2015
- Datum
21-07-2015
- Auteur
Mr. B. Kemp
- JCDI
JCDI:ADS304960:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Maeijer 1964; Mendel 1989-1.
Asser/Maeijer 2000, nr. 293. Er zijn omstandigheden denkbaar waaronder de vennootschap geen belang meer heeft bij haar eigen voortbestaan, bijvoorbeeld wanneer men voornemens is de vennootschap te ontbinden.
Langman 1988, p. 117.
Mendel 1989-1, p. 12-15.
Slagter 2005, p. 14.
Delfos-Roy 1997, p. 20.
Eijsbouts & Kemp 2012, p. 129.
Assink 2010, p. 41.
Assink 2010, p. 40. Naast Assink overweegt ook Mendel (Mendel 1989-1, p. 12-15) dat het begrip ‘belang van de vennootschap’ zoals neergelegd in de wet blijk geeft van een holistische benadering.
Assink 2010, p. 40.
Dit betekent niet dat Assink geen oog heeft voor de belangenpluraliteit. Volgens Assink vereist waardecreatie over de langere termijn dat er een goede relatie bestaat tussen de vennootschap en de daarbij betrokken belanghebbenden en dat waardecreatie uiteindelijk ten goede komt aan de belanghebbenden (Assink 2010, p. 42).
Cahen 1970, p. 72.
Mendel 1989-1, p. 14 e.v.
Cahen 1970, p. 72.
Mendel 1989-1.
Mendel 1989-1, p. 14.
Mendel 1989-1, p. 14-15.
Mendel 1989-1, p. 17.
De door Van Schilfgaarde, Winter en Wezeman (Van Schilfgaarde/Winter & Wezeman 2013, nr. 4) verwoorden opvatting wordt mijns inziens regelmatig ten onrechte geplaatst binnen de resultante leer (zie bijvoorbeeld Mendel & Oostwouder 2013-2; Van Mierlo 2013, p. 86), ondanks het feit dat daar de term ‘resultante’ wordt gebezigd. Zie bijvoorbeeld: Assink 2010, p. 38-39 en voetnoot 116 aldaar.
Mendel & Oostwouder 2013-2, p. 1970-1972.
HR 13 juli 2007, NJ 2007, 434 m.nt. Maeijer (ABN AMRO). Zij verwijzen eveneens naar het arrest van de Hoge Raad inzake ASMI (HR 9 juli 2010, NJ 2010, 544 m.nt. Van Schilfgaarde (ASMI)), waar een bijna identieke overweging in te lezen is.
De overweging van de Hoge Raad luidde: ‘dat het bestuur bij de vervulling van zijn bij wet of statuten opgedragen taken het belang van de vennootschap en de daaraan verbonden onderneming behoort voorop te stellen en de belangen van alle betrokkenen, waaronder die van de aandeelhouders, bij zijn besluitvorming in aanmerking behoort te nemen.’
HR 4 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:797, 799, 804, 808. Zie over deze arresten ook: Van Schilfgaarde in zijn annotatie onder HR 4 april 2014, NJ 2014, 286; Raaijmakers 2014; De Haan in zijn annotatie onder HR 4 april 2014, JOR 2014, 290; HR 4 april 2014 annotatie Leijten Ondernemingsrecht 2014/ 101.
HR 4 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:797 (r.o. 4.2.1.).
Zo blijkt ook uit het feit dat zij spreken van een ‘resultante’.
De holistische leer is voor het eerst verwoord door Maeijer en later door Mendel als holistisch betiteld.1 Als eerste pleitbezorger van deze leer omschrijft Maeijer het vennootschappelijk belang als het belang dat de vennootschap heeft bij haar eigen gezonde bestaan, uitgroei en voortbestaan met het oog op het door haar te bereiken doel, zolang zinvol.2 Het woord ‘continuïteit’, dat hier niet specifiek in terugkomt, maar er wel uit kan worden gedestilleerd, speelt een belangrijke rol in deze benadering. Deze verwijzing naar de continuïteit van de onderneming kan ook worden teruggevonden bij Langman,3 Mendel,4 Slagter,5 Delfos-Roy6 en Eijsbouts & Kemp.7 Ook Assink spreekt zich voor deze leer uit.8 Hij verwijst in dit verband naar de autonomie van het begrip vennootschappelijk belang.9 Volgens de voorstanders van deze leer dient de normonafhankelijk te worden ingevuld, los van de belangen van degenen die bij de vennootschap betrokken zijn. Anders gezegd, de vennootschap heeft een ‘eigen belang’, naast het belang van de belanghebbenden bij de vennootschap.
De vraag blijft hoe dit eigen belang van de vennootschap dan tot stand komt. Mijns inziens zijn er met betrekking tot het antwoord op deze vraag een aantal stromingen binnen de holistische leer waar te nemen. Wanneer goed wordt gekeken naar de definitie van het vennootschappelijk belang zoals omschreven door Maeijer, blijkt dat Maeijer ervan uitgaat dat de vennootschap echt een eigen belang heeft, dat los staat van de belangen van de bij de vennootschap betrokken belanghebbenden. Deze opvatting van een echt zelfstandig belang lijkt te worden gedeeld door Assink. Hij overweegt in zijn oratie:
‘Een relevant principe van het Nederlandse ondernemingsrecht is mijns inziens dat de vennootschap daarin niet meer primair wordt bezien als verlengstuk van de gezamenlijke aandeelhouders vanuit een contractuele grondslag, maar in vermogensrechtelijke zin – zie ook artikel 2:5 BW – wordt geconceptualiseerd als een zelfstandige entiteit met een eigen belang, te onderscheiden van de daarbij betrokkenen (belanghebbenden) zoals de aandeelhouders, werknemers en crediteuren en hun respectieve belangen. Vanuit dit principe gedacht oogt het niet erg zuiver om dat eigen belang te laten samenvallen met een reeks aan afwijkende belangen van de bij de vennootschap betrokkenen of een afweging daartussen (ongeacht of die belangen onderling nevengeschikt zijn dan wel een zekere hiërarchie kennen). Dit zijn te onderscheiden belangensferen: het belang van de vennootschap en de belangen van de bij de vennootschap betrokkenen dienen uit elkaar te worden gehouden.’10
Het eigen belang van de vennootschap omvat in de ogen van Assink dus meer en is zelfstandig van het belang van de bij de vennootschap betrokken belanghebbenden.11 Er zijn echter ook andere opvattingenwaarneembaar, welke onder meerworden verwoord door Cahen,12 Van Schilfgaarde, Winter en Wezeman13 en Mendel.14 Cahen schrijft over de totstandkoming van het vennootschappelijk belang:
‘Wij zeiden zojuist dat de NV tot taak heeft de in het vennootschapsverband verankerde belangen te ontplooien en aan die taak haar bestaansrecht ontleent. Op grond van die taak heeft de NV een van deze belangen afgeleid maar desalniettemin zelfstandig belang. Alleen bij een gezonde en duurzame existentie is de NV in staat haar taak naar behoren te vervullen.’15
Het vennootschappelijk belang is derhalve in de ogen van Cahen een zelfstandig belang, maar dient wel te worden afgeleid uit de belangen van de bij vennootschap betrokken belanghebbenden, waarbij duurzame continuïteit van de onderneming als de rode draad dient te worden beschouwd. Ongeveer eenzelfde opvatting, maar met een aantal nuanceverschillen, wordt aangehaald door Van Schilfgaarde, Winter en Wezeman:
‘Naar ik meen moet inderdaad het belang van de vennootschap als zodanig worden onderscheiden van de deelbelangen van de verschillende groepen en individuen. Dit vennootschapsbelang kan niettemin weinig anders zijn dan de resultante van de in casu in aanmerking komende deelbelangen, waaronder die van de aandeelhouders en werknemers, die op korte termijn naast die op lange termijn. Aandacht voor de lange termijn betekent dat de continuïteit van de onderneming als een apart te benoemen belang gewicht in de schaal legt. Al deze belangen zullen moeten worden afgewogen om in een concreet geval tot een aanvaardbare bepaling van het vennootschapsbelang te komen. Dat een bepaald belang prioriteit heeft valt op voorhand niet te zeggen.’16
Van Schilfgaarde, Winter en Wezeman overwegen, blijkens het bovenstaande, dat in een concreet geval de verschillende bij de vennootschap betrokken belangen dienen te worden afgewogen, waarbij de continuïteit van de onderneming één van de af te wegen belangen is.
Daarnaast kan een derde opvatting worden gevonden in de oratie van Mendel.17 Mendel schrijft:
‘(…) het hier gaat om het belang van de eenheid ‘vennootschap-onderneming’ als zodanig waarbij met name aan de continuïteit moet worden gedacht en b) de zelfstandiging van dit belang in ieder geval haar grens vindt daar waar met deze continuïteit redelijkerwijze geen enkel huidig of toekomstig belang van onmiddellijke betrokkenen (met name aandeelhouders en werknemers) kan zijn gediend.’18
Waarna hij verderop schrijft:
‘het belang van de vennootschap inclusief de met haar verbonden onderneming – dat in meerdere of mindere mate, maar nooit volledig is geabstraheerd van de belangen van aandeelhouders, werknemers en andere onmiddellijk betrokkenen – is haar belang bij zo spoedig mogelijke continuïteit.’19
Waarna hij ten slotte schrijft:
‘(…) betekenen m.i. in onderling verband dit, dat het vennootschappelijk belang slechts in sprekende gevallen, dus bij uitzondering zal behoeven te wijken voor groepsbelangen.’20
Interessant is dat Mendel derhalve het vennootschappelijk belang ziet als een zelfstandig belang, dat afgeleid is van de bij de vennootschap betrokken belangen, maar dat het vennootschappelijk belang in ‘sprekende gevallen’ opzij kan worden gezet ten faveure van een groepsbelang.
Hoewel de voornoemde citaten sterk overeenkomen, zijn er – volgens mij – accentverschillen. Allen menen dat de vennootschap een eigen, op zichzelf staand, belang heeft, maar Cahen overweegt dat het eigen belang van de vennootschap wordt afgeleid uit de belangen van de bij de vennootschap betrokken belanghebbenden waarbij de gezonde en duurzame existentie van de vennootschap het uitgangspunt is. Van Schilfgaarde, Winter en Wezeman lijken daarentegen te overwegen dat het vennootschappelijk belang in een bepaald geval dient te worden bepaald door de belangen van de bij de vennootschap betrokken belanghebbenden af te wegen, waarbij de continuïteit van de onderneming één van de af te wegen belangen is.
Binnen de resultante leer is mijns inziens immers geen ruimte voor andere (abstractere) deelbelangen dan de belangen van belanghebbenden die bij de vennootschap betrokken zijn. Voor een deelbelang als continuïteit is dan geen ruimte, omdat de zelfstandigheid van het vennootschappelijk belang ontbreekt.21 Ten slotte vult Mendel het vennootschappelijk belang zo in dat het in beginsel een zelfstandig belang is, maar wel haar grenzen vindt in de belangen van de direct betrokkenen. Wanneer die belangen niet worden gediend, kan het vennootschappelijk belang ook niet worden gediend. Anders gezegd, het vennootschappelijk belang moet altijd in ieder geval het belang van één van de direct betrokken belanghebbenden bevatten.
Ook de Hoge Raad hangt de holistische leer aan, aldus Mendel en Oostwouder.22 Zij zien in de door de Hoge Raad geformuleerde overwegingen in de zaak betreffende ABN AMRO23 een bevestiging van de holistische leer.
Zij menen dat het scherpe onderscheid dat de Hoge Raad zou maken tussen het vooropstellen van het belang van de vennootschap en de daarmee verbonden onderneming en het in aanmerking nemen van de belangen van alle betrokkenen24 duidt op de holistische leer. De Hoge Raad lijkt de zienswijze van Mendel en Oostwouder recentelijk ook te hebben bevestigd in het arrest Inversiones/Cancun Holding.25 Daarin overweegt de Hoge Raad ten aanzien van het vennootschappelijk belang in een joint venture:
‘Indien aan de vennootschap een onderneming is verbonden, wordt het vennootschapsbelang in de regel vooral bepaald door het bevorderen van het bestendige succes van deze onderneming.’26
Hoewel derhalve een onderscheid kan worden gemaakt tussen de resultanteen holistische leer, blijkt dat stromingen binnen deze leren dicht tegen elkaar aan kunnen liggen. Het verschil tussen de opvatting van Van Schilfgaarde, Winter en Wezeman en de eerste stroming binnen de resultante leer is praktisch nihil,27 zij het dat voor continuïteit van de vennootschap en zelfstandigheid van het vennootschappelijk belang niet (direct) ruimte is binnen de resultante leer. Sommige betrokkenen kunnen echter wel belang hebben bij de continuïteit van de vennootschap en op die wijze kan de continuïteit wel terugkomen in de resultante leer, maar dan als onderdeel van een deelbelang.