RvdW 2024/825:Rijden terwijl verdachte redelijkerwijs moest weten dat rijbewijs ongeldig was verklaard, art. 9 lid 2 WVW 1994. Bewijsklacht. Kan uit omstandigheden dat door verdachte bezwaarschrift is ingediend tegen besluit tot ongeldigverklaring van rijbewijs en rijbewijs van verdachte door CBR van politie is ontvangen, worden afgeleid dat verdachte ‘redelijkerwijs moest weten’ dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard? HR herhaalt relevante overwegingen uit NJ 2019/454, m.nt. W.H. Vellinga m.b.t. vereisten om tot bewezenverklaring van een op art. 9 lid 2 WVW 1994 toegesneden tll. te kunnen komen. Hof heeft aan oordeel dat verdachte ‘redelijkerwijs (had) kunnen weten’ dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard ten grondslag gelegd dat (zoals vermeld in besluit dat als bewijsmiddel is gebruikt) bezwaarschrift is ingediend tegen besluit tot ongeldigverklaring van CBR van 5 maart 2019 en dat rijbewijs van verdachte op 15 april 2020 door CBR van politie is ontvangen. Daaruit kan (temeer nu niet blijkt of en, zo ja, wanneer en op welke wijze besluit dat als b.m. is gebruikt, aan verdachte bekend is gemaakt) echter niet zonder meer volgen dat verdachte, overeenkomstig het hiervoor vooropgestelde, ‘redelijkerwijs moest weten’ dat op 17 april 2020 op zijn naam gesteld rijbewijs ongeldig was verklaard. Volgt vernietiging en terugwijzing.