RvdW 2024/824:Faillissementsfraude. Als bestuurder van rechtspersoon, wettelijk opgeroepen tot het geven van inlichtingen, zonder geldige reden opzettelijk wegblijven en weigeren vereiste inlichtingen te geven, meermalen gepleegd (art. 194 lid 1 (oud) Sr). Kwalificatie bij ontbrekend bestanddeel in tll. en bwv. Hof heeft geoordeeld dat woorden ‘wettelijk opgeroepen tot het geven van inlichtingen’ in art. 194 lid 1 (oud) Sr “heel algemeen betekenen ‘wettelijk verplicht tot het geven van inlichtingen’”. Dat oordeel is onjuist, nu het enkele bestaan van wettelijke verplichting tot het geven van inlichtingen nog niet meebrengt dat verdachte overeenkomstig art. 194 lid 1 (oud) Sr is ‘opgeroepen’ deze verplichting na te komen. Om redenen vermeld in CAG leidt dit niet tot cassatie. CAG: In dit specifieke geval ligt in tlgd. en bewezenverklaard bestanddeel ‘wettelijk verplicht’ besloten dat verdachte ‘wettelijk opgeroepen’ was tot verschaffen van inlichtingen. Uit bewijsvoering kan worden afgeleid dat wettelijke plicht op verdachte is komen te rusten doordat curator o.g.v. en overeenkomstig art. 106 (oud) jo. art. 105 lid 1 (oud) Fw verdachte heeft opgeroepen. Daarbij komt dat feitelijk deel van bewezenverklaring ‘door niet te voldoen aan verzoeken van curator om inlichtingen te verstrekken en/of niet te voldoen aan oproep van curator (…) om te verschijnen om voornoemde informatie te verstrekken’ materieel (eveneens) inhoudt dat verdachte ‘wettelijk opgeroepen’ was om inlichtingen te verschaffen. Volgt verwerping.