De grenzen van het recht op nakoming
Einde inhoudsopgave
De grenzen van het recht op nakoming (R&P nr. 167) 2008/6.3.6.1:6.3.6.1 Inleiding
De grenzen van het recht op nakoming (R&P nr. 167) 2008/6.3.6.1
6.3.6.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. D. Haas, datum 02-12-2008
- Datum
02-12-2008
- Auteur
mr. D. Haas
- JCDI
JCDI:ADS378784:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In deze paragraaf bespreek ik de tweede uitzondering op de 130%-richtlijn: het ontbreken van een redelijk alternatief. Deze uitzondering leidt niet, zoals de in de vorige paragraaf besproken uitzondering van de inefficiënte nakoming, tot een neerwaartse bijstelling van de nakomingskosten, maar tot een verhoging daarvan. Indien de schuldeiser zijn contractsdoel niet kan realiseren als de schuldenaar een alternatieve remedie uitvoert, kan de schuldenaar ook aan zijn nakomingsverplichting worden gehouden als de kosten meer dan 130% van het geobjectiveerde schuldeisersbelang bedragen. De 130%-richtlijn is ontdaan van normatieve en subjectieve aspecten. De uitzondering van het ontbreken van een redelijk alternatief biedt echter enige ruimte om ook subjectieve schuldeisersbelangen mee te wegen. Voor het formuleren van een werkbare scherpe norm ter begrenzing van het recht op nakoming kan namelijk niet volledig worden geabstraheerd van de subjectieve belangen van de schuldeiser.
In par. 6.3.6.2 duid ik de uitzondering van het ontbreken van een redelijk alternatief als een uitwerking van het vertrouwensbeginsel. In par. 6.3.6.3 bespreek ik situaties waarin de aard van de prestatie meebrengt dat schadevergoeding geen adequaat alternatief is voor nakoming. In par. 6.3.6.4 behandel ik de situatie dat schadevergoeding de schuldeiser onvoldoende compenseert, omdat niet aan de vereisten voor contractuele aansprakelijkheid is voldaan, of bepaalde schadeposten niet voor vergoeding in aanmerking komen. In par. 6.3.6.5 bespreek ik enkele praktische aspecten die bij de toepassing van de uitzondering van het redelijk alternatief kunnen rijzen. In par. 6.3.6.6 ga ik ten slotte in op de vraag of de openheid, die de uitzondering van het ontbreken van een redelijk alternatief aanbrengt, geen afbreuk doet aan de scherpe norm die ik mij heb voorgenomen te formuleren.