Einde inhoudsopgave
Aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker (R&P nr. CA18) 2018/7.6.5.3
7.6.5.3 De tenzij-clausule van art. 6:181 lid 1: de stelplicht en bewijslast
mr. A. Kolder, datum 16-03-2018
- Datum
16-03-2018
- Auteur
mr. A. Kolder
- JCDI
JCDI:ADS303969:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Voetnoten
Voetnoten
Een ander bekend voorbeeld van een geschreven ‘bijzondere regel’ is art. 7:658 lid 2, betreffende het door de werkgever te leveren bewijs van de nakoming van zijn zorgplicht.
Dit laat overigens onverlet dat conform de hoofdregel van art. 150 Rv de bewijslast van een ‘gebrek’ in de opstal als bedoeld in art. 6:174 in beginsel op de benadeelde rust (vgl. HR 30 november 2012, NJ 2012/689 (Paalrot), r.o. 4.1). Evenzo is het de benadeelde die zal moeten aantonen dat de door hem op voet van art. 6:181 aangesprokene in de betreffende opstal ten tijde van de schadeveroorzaking zijn bedrijf uitoefende. Slaagt de benadeelde hierin, dan (pas) komt de bal op grond van de tenzij-clausule van art. 6:181 lid 1 bij de bedrijfsuitoefenaar te liggen.
Rutgers en Krans 2013, p. 60-62; Thoe Schwartzenberg 2013, p. 125-130.
Rutgers en Krans 2013, p. 65-68; Thoe Schwartzenberg 2013, p. 111-120; Asser Procesrecht/Asser 3 2013/306.
Thoe Schwartzenberg 2013, p. 130-131. Zie op het terrein van art. 6:174 expliciet Parl. gesch. Boek 6, p. 755, alsook het Wilnis-arrest, r.o. 4.4.5. Zie met betrekking tot roerende zaken HR 24 december 1993,NJ 1994/214 (Leebeek/Vrumona).
Vgl. in deze zin Kamerstukken II 1988/89, 21202, 3, p. 11 omtrent de afstemming tussen art. 6:173/ 181 enerzijds en anderzijds afd. 6.3.3 BW.
Rutgers en Krans 2014, p. 67; Thoe Schwartzenberg 2013, p. 115.
Zie ook Schoonbrood-Wessels 1991, p. 797, die aangeeft dat indien de op voet van art. 6:181 aangesprokene onvoldoende thuis geeft, dit bewijsrechtelijke gevolgen in zijn nadeel kan hebben. Zo geeft zij omtrent een ‘redelijke bewijslastverdeling’ aan: wanneer niet te achterhalen is wie in concernverband de zaak heeft ‘gebruikt’ terwijl de betrokken bedrijven nalaten voldoende opheldering te verschaffen, worden, behoudens tegenbewijs, alle bedrijven (hoofdelijk) geacht gebruiker van de zaak te zijn.
Rutgers en Krans 2013, p. 51; Thoe Schwartzenberg 2013, p. 104-106.
De tenzij-clausule van art. 6:181 lid 1 drukt niet enkel uit dat de aansprakelijkheid voor opstallen steeds op de meest aangewezen aansprakelijke persoon behoort te rusten, maar geeft ook een bijzondere regel van bewijsrecht. De tenzij-clausule kwalificeert daarmee tevens als een geschreven ‘bijzondere regel’ waaruit een van de hoofdregel van art. 150 Rv afwijkende verdeling van de bewijslast voortvloeit:1 het is aan een op voet van art. 6:181 aangesprokene die in een gebrekkige/ schadeveroorzakende opstal een bedrijf uitoefent om ter bevrijding van aansprakelijkheid aan te tonen dat ‘het ontstaan van de schade’ niet met diens bedrijfsuitoefening in verband staat.2 Zoals zojuist gezegd, de toepassing van art. 6:181 jo. 174 zónder de tenzij-clausule in art. 6:181 lid 1 leidt materieelrechtelijk tot eenzelfde resultaat als mét die clausule: aansprakelijk is steeds de ‘meest verantwoordelijke’ persoon. Deze clausule lijkt niettemin een zelfstandige functie te hebben, namelijk het de benadeelde bieden van een bewijsrechtelijk voordeel. Toch moet de zelfstandige betekenis van de tenzij-clausule in art. 6:181 lid 1 (ook) op het gebied van de stelplicht en bewijslast niet overschat worden. Zo is de bewijslast van de benadeelde in geval van schade door een opstal ook buiten deze clausule om desgewenst te verlichten. Ook hier dient het gebruiksbegrip van art. 6:181 zich aan. De bewijslast van het feit dat de aangesprokene kwalificeert als bedrijfsmatige ‘gebruiker’ van de opstal rust ingevolge art. 150 Rv op de benadeelde. Deze zal, gelet op de invulling van dit begrip aan de hand van zeggenschap, moeten aantonen dat de aangesprokene de grootste mate van zeggenschap had over c.q. invloed had op het schadeveroorzakende gebrek in de opstal. Een verlichting van déze op de benadeelde rustende bewijslast kan desgewenst worden bereikt via een rechterlijk c.q. feitelijk vermoeden3 dan wel het aannemen van een ‘verzwaarde stelplicht’ van het aangesproken ‘bedrijf’.4
Voor wat betreft het eerste mechanisme kan gedacht worden aan de zogeheten res ipsa loquitur-redenering: uit de aard van het gebeuren dat de schade heeft veroorzaakt (denk bijvoorbeeld aan de plotselinge instorting van een opstal) kan de oorzaak daarvan worden afgeleid.5 Wanneer te dien aanzien een bewijsvermoeden wordt aangenomen, is het vervolgens aan de bedrijfsmatige gebruiker dit eventueel te ontzenuwen. Een verschil met de tenzij-clausule van art. 6:181 lid 1 is wel dat het bewijsrisico dan niet op de bedrijfsmatige gebruiker rust maar blijft liggen bij de benadeelde, maar de vraag is of dat erg is. Bedacht moet namelijk worden dat het hier ‘slechts’ gaat om het bewijs betreffende de ‘wie-vraag’ – is de bedrijfsmatige gebruiker óf de eigenaar/bezitter de aansprakelijke? – en bijvoorbeeld niet om de vraag naar de vestiging van aansprakelijkheid (gebrekkigheid), terwijl in de verhouding tussen de bedrijfsmatige gebruiker en ‘achterliggende’ eigenaar/bezitter van de schadeveroorzakende opstal het verweer van de één al gauw tot (uitsluitende) aansprakelijkheid van de ander zal leiden.6
Met betrekking tot de ‘verzwaarde stelplicht’ geldt dat van de bedrijfsmatige gebruiker van een schadeveroorzakende opstal (denk wederom aan een plotselinge instorting) in beginsel verlangd zal mogen worden de benadeelde voldoende feitelijke gegevens te verstrekken zodat deze zijn vordering behoorlijk kan onderbouwen. Zo zal de relevante informatie betreffende de (mogelijke) oorzaak van de instorting – informatie betreffende de aard van het in de opstal uitgeoefende bedrijf, de wijze van constructie en inrichting van de opstal, daarbij gebruikte materialen, inspectie en onderhoud van de opstal, keuringsrapporten, etcetera) – zich in de regel niet bij de benadeelde maar ‘in de sfeer van’ de bedrijfsmatige gebruiker bevinden (waaronder begrepen diens ‘achterliggende’ verhouding met de eigenaar of (andere) verhuurder van het gebouw of werk). Voldoet het ex art. 6:181 jo. 174 aangesproken ‘bedrijf’ niet aan zijn ‘verzwaarde stelplicht’, dan is als sanctie een omkering van de bewijslast of een bewijsvermoeden mogelijk dan wel wordt het door de benadeelde gestelde als onvoldoende betwist als vaststaand aangenomen.7 Ook hier geldt dat een bewijsvermoeden,8 anders dan de tenzij- clausule van art. 6:181 lid 1, het bewijsrisico bij de benadeelde laat maar zoals gezegd lijkt dat in dit verband (lees: ter zake van de ‘wie-vraag’) niet onoverkomelijk. De sanctie van een omkering van de bewijslast zou tot hetzelfde resultaat als de tenzij-clausule van art. 6:181 lid 1 leiden.
Tot slot zou de wetgever art. 6:181 hebben kunnen invoeren zónder de tenzij- clausule in lid 1, en in de toelichting op deze bepaling hebben kunnen aangeven dat wanneer vaststaat dat sprake is van een benadeelde die schade heeft geleden door een gebrekkige opstal terwijl daarin door een persoon een bedrijf wordt uitgeoefend, het ter bevrijding van aansprakelijkheid zonodig aan die bedrijfsuitoefenaar is aan te tonen dat tussen ‘het ontstaan van de schade’ en zijn bedrijfsuitoefening geen verband bestaat. Art. 150 Rv laat ruimte voor een dergelijke ongeschreven ‘bijzondere regel’ die een afwijking van de hoofdregel van deze bepaling meebrengt.9 Kortom, niet alleen de materieelrechtelijke maar ook bewijsrechtelijke functie van de tenzij-clausule in art. 6:181 lid 1 zou (reeds) vervuld kunnen worden door het gebruiksbegrip van diezelfde bepaling.