Einde inhoudsopgave
Voorlichting door de Belastingdienst in rechtsstatelijke context (FM nr. 177) 2022/4.3.4.4
4.3.4.4 Ratio dispositievereiste: waarom als criterium gesteld?
Mr. dr. T.A. Cramwinckel, datum 29-07-2022
- Datum
29-07-2022
- Auteur
Mr. dr. T.A. Cramwinckel
- JCDI
JCDI:ADS661315:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Organisatie Belastingdienst
Voetnoten
Voetnoten
Kistenkas 1993b, par. 3 (Juist bij deze categorie [TC: ‘tegenwettelijke informatieverstrekking’] komt men ook allerlei (extra) eisen als dispositie en non-evidentie tegen.’). Overigens kan dispositieschade nog relevant zijn bij de vraag of een overgangstermijn moet worden gegund na het intrekken van een toezegging, maar daarop ga ik niet in (zie daarover HR 26 januari 2000, nr. 34218, BNB 2000/331).
Wattel 1991, par. 3.3 merkt in het kader van het dispositievereiste op dat deze eis wordt gesteld om te voorkomen dat de Belastingdienst ‘op grond van angst voor gebondenheid geheel zou gaan afzien van het geven van inlichtingen.’ Vgl. Happé in BNB 2000/330: ‘De reden om bij de voor- en inlichting de eis te stellen is het belang dat belastingplichtigen erbij hebben dat de fiscus zijn taak om belastingplichtigen voor en in te lichten, onbelemmerd kan vervullen.’ Zie ook Kistenkas 1993a, par. 4.1.
Bijv. Nicolaï 1990, p. 366 e.v.; Den Boer in BNB 1988/148; Happé 1996, p. 183. Schut 1974, par. 2. Recenter IJzerman in FED 2022/11 punt 5.
Wattel 1991 par. 3.3.
Zie Schut 1974, onder C, die een voorstander was van het dispositievereiste omdat het niet-stellen van deze eis een ongerechtvaardigde bevoordeling zou betekenen van de belastingplichtige aan wie een contra legem inlichting is verstrekt.
Kanttekening daarbij is echter – wat in dit argument te gemakkelijk over het hoofd wordt gezien – dat juist die voorlichting bij hem andere verwachtingen had gewekt, hetgeen een cruciaal verschil oplevert met een andere belastingplichtige bij wie die verwachtingen niet waren gewekt.
Vgl. Kistenkas 1993a, par. 4.3 over het stellen van het dispositievereiste: ‘In wezen gaat het hier om het bij de belastingplichtige gewekte subjectieve vertrouwen (blijkend uit het disponeren) (…)’.
Waarom stelt de Hoge Raad uitsluitend bij voorlichting de voorwaarde van het dispositievereiste? Het gaat hierbij om een aanvullende, ‘extra’ voorwaarde, die bij andere vertrouwenwekkende uitingen niet geldt.1 De ratio voor het stellen van het dispositievereiste is mijns inziens tweeledig. De eerste is principieel van aard, de tweede is daarvan een mijns inziens praktisch uitvloeisel.
De belangrijkste reden voor het stellen van het dispositievereiste ligt erin dat de Hoge Raad een dam wil opwerpen voor een (te) snelle gebondenheid van de Belastingdienst aan onjuiste voorlichting. Volgens de Hoge Raad moet de Belastingdienst zijn taak immers onbelemmerd en zo ruim mogelijk kunnen uitoefenen.2 Het stellen van het dispositievereiste hangt samen met de afweging die de Hoge Raad juist acht tussen rechtsbescherming (beschermende werking vertrouwensbeginsel) en rechtshandhaving (wetstoepassing). Het stellen van deze eis als criterium brengt het door de Hoge Raad beoogde evenwicht tussen verschillende belangen aan die worden gediend met het legaliteitsbeginsel en het vertrouwensbeginsel.3 De horde van iets doen of nalaten moet worden genomen om te rechtvaardigen dat in het geval van vertrouwen ontleend aan (slechts) voorlichting een hogere, op de wet gebaseerde, heffing achterwege blijft. Daarbij kunnen uiteraard ook (niet goed voorzienbare) financiële consequenties voor de overheid een rol spelen.
Het dispositievereiste brengt tot uitdrukking dat in het belastingrecht impliciet geldt dat de burger die door onjuiste voorlichting in een nadeliger positie raakt eerder bescherming verdient dan iemand die slechts een ‘fiscale teleurstelling’ heeft. De redenering die eraan ten grondslag ligt is dat de burger die vanwege achteraf onjuiste voorlichting een hogere belastingaanslag ontvangt dan hij had verwacht, zich weliswaar geconfronteerd ziet met een ‘belastingtegenvaller’4, maar hij enkel de belasting betaalt die hij op grond van de wet is verschuldigd. De burger die niet disponeert, raakt niet in een nadelige(re) positie.5 Hij lijdt geen schade, hij wordt niet geconfronteerd met een extra last, hij is niet slechter af. Hij betaalt wat hij zonder de voorlichting ook ‘gewoon’ had moeten betalen.6 In zo’n geval – zo brengt de afweging tussen het legaliteitsbeginsel en het vertrouwensbeginsel mee – is enkel teleurstelling niet voldoende om de wet opzij te zetten.
De praktische kant is dat het stellen van de dispositievereiste een realiteitstoets biedt op het gewekte vertrouwen. Wanneer een belastingplichtige disponeert, is duidelijk dat hij daadwerkelijk verwachtingen heeft ontleend aan bepaalde informatie, omdat deze invloed hebben gehad op zijn gedrag. Aangezien het bij voorlichting niet gaat om een concrete toezegging over een bevoegdheidsuitoefening in een specifiek geval, maar om algemene informatie, geeft het dispositievereiste een handvat om te toetsen of de belastingplichtige werkelijk verwachtingen heeft ontleend aan niet specifiek op zijn situatie toegesneden uitingen.7 Het legt de drempel hoger om te bewerkstelligen dat de burger zich op de informatie kan beroepen.