Einde inhoudsopgave
Voor risico van de ondernemer (O&R nr. 142) 2023/8.3.7
8.3.7 Synthese: lagere aansprakelijkheidsdrempel
mr. T.E. de Wijkerslooth-van der Linden, datum 01-06-2023
- Datum
01-06-2023
- Auteur
mr. T.E. de Wijkerslooth-van der Linden
- JCDI
JCDI:ADS713093:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Par. 6.4.2.2.
Par. 8.2.3.2.
HR 7 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU6934, NJ 2006/244 (Rottende uien).
Van Dam 2020, nr. 215.
Van Eemeren e.a. 1996, p. 21.
Van Eemeren e.a. 1996, p. 21; Henket 1998, p. 23 e.v.
Henket 1998, p. 23 e.v.
Rb. Breda 16 januari 2012, ECLI:NL:RBBRE:2012:BV1481, r.o. 3.14 e.v. Vgl. Rb. Midden-Nederland 30 december 2015, ECLI:NL:RBMNE:2015:9661, JA 2016/98. Zie eerder ook al: Rb. ’s-Hertogenbosch 18 april 2007, ECLI:NL:RBSHE:2007:BA3146, VR 2011/72; Rb. Breda 16 januari 2012, ECLI:NL:RBBRE:2012:BV1481, JA 2012/66, r.o. 3.15.
Hof Amsterdam 7 februari 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:368.
Rb. Overijssel 4 april 2018, ECLI:NL:RBOVE:2018:1158, r.o. 4.11.
Hof Arnhem-Leeuwarden 19 mei 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:3531 (tussenarrest), r.o. 4.2; Hof Arnhem-Leeuwarden 2 februari 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:611 (eindarrest); Concl. A-G Van Peursem, ECLI:NL:PHR:2017:599, punt 1.4, 1.6, 2.29 en 2.31, bij: HR 7 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1271 (81 RO).
Rb. Den Haag 16 februari 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:1603, r.o. 3.6.
Rb. Gelderland 3 september 2014, ECLI:NL:RBGEL:2014:6136, r.o. 4.7.
Op basis van het voorgaande betoog ik dat de hoedanigheid van ondernemer-laedens ervoor kan zorgen dat de aansprakelijkheidsdrempel lager komt te liggen. Ten eerste leidt een hoger kennisniveau indirect tot een lagere aansprakelijkheidsdrempel. Ik schrijf ‘indirect’, omdat voor het uiteindelijke aansprakelijkheidsoordeel het risico en de mate van zorg tegen elkaar afgewogen moeten worden. Het vaststellen van kennis vormt slechts de eerste horde die genomen moet worden voordat aansprakelijkheid kan worden gevestigd. Indien de rechter tot het oordeel komt dat de laedens geen kennis had of behoorde te hebben van een zeker risico of van de effectiviteit van maatregelen, kan aansprakelijkheid niet volgen. Aansprakelijkheid is niet gelegitimeerd indien het risico redelijkerwijs niet voorzienbaar was.1 Bij het nemen van deze eerste horde weegt de hoedanigheid van ondernemer mee.2 In paragraaf 8.3.2 heb ik verschillende gevallen onderscheiden waarin de hoedanigheid van (gespecificeerde) ondernemer ervoor zorgt dat deze ‘kennishorde’ gemakkelijker wordt genomen, en de kans op aansprakelijkheid groter is.
Ten tweede leidt het oordeel dat sprake is van een gevaarsverhoging onder omstandigheden tot een lagere aansprakelijkheidsdrempel. Dit moet echter niet overschat worden. Een enkele gevaarsverhoging is namelijk niet voldoende voor het oordeel dat sprake is van onrechtmatigheid.3 Er is pas sprake van onrechtmatigheid indien een discrepantie tussen zorg en risico bestaat. Het uitgangspunt is immers dat de laedens onrechtmatig heeft gehandeld indien hij meer risico heeft genomen dan maatschappelijk betamelijk is.4 Het verhoogde risico als gevolg van de bedrijfsactiviteiten vormt over het algemeen een argument in een complexe argumentatiestructuur.
Volgens de argumentatietheorie van Eemeren, Grootendorst, Snoeck Henkemans & Blair bestaat een “een argumentatie met een complexe argumentatiestructuur uit meer dan één enkelvoudige argumentatie, waarin verschillende argumenten pro en contra een standpunt naar voren worden gebracht.”5 Bij een complexe of meervoudige argumentatiestructuur kan het gaan om drie varianten:6 1) verschillende argumenten zijn ieder afzonderlijk dragend voor het ingenomen standpunt (‘onafhankelijke of meervoudige argumentatie’); 2) verschillende argumenten zijn slechts gezamenlijk dragend voor het ingenomen standpunt (‘afhankelijke of nevenschikkende argumententatie’); 3) een argument dient ter ondersteuning van een (tussen)standpunt, dat op zijn beurt weer dient als argument voor een volgend argument (trapsgewijze of onderschikkende argumentatie). Henket schrijft dat in de meeste (juridische) betogen mengvormen optreden.7
Aan de hand van enkele voorbeelden uit de lagere rechtspraak, laat ik zien welke plaats de hoedanigheid van (gespecificeerde) ondernemer kan innemen in deze argumentatie. De hoedanigheid van ondernemer is niet het doorslaggevende argument (categoriale bescherming), maar een van de omstandigheden die tegen de andere omstandigheden moeten worden gewogen.
Een voorbeeld is een uitspraak van de rechtbank Breda uit 2012.8 Een bezoeker van een supermarkt was gestruikeld over een lage kubus die voor de kassa’s lag. De rechtbank oordeelt dat de supermarkt onrechtmatig heeft gehandeld door meer risico in het leven te roepen dan in de gegeven omstandigheden was geoorloofd. De argumentatiestructuur zag er als volgt uit.
De hoedanigheid van ondernemer dient aldus ter ondersteuning van de (tussen)overweging dat het publiek minder oplettend en voorzichtig is. Deze (tussen)overweging is samen met de overwegingen dat de kans op schade reëel is, dat de gevolgen ernstig zijn en dat het niet bezwaarlijk was om maatregelen te nemen, dragend voor de conclusie dat de supermarkt onrechtmatig heeft gehandeld.
Een vergelijkbare mix van onderschikkende en nevenschikkende argumentatie is te zien in een uitspraak van de rechtbank Amsterdam over de aansprakelijkheid van een sportschool. De argumentatiestructuur ziet er als volgt uit.
Hier geldt dat de hoedanigheid van ondernemer (‘de professionele organisatie’) dient ter ondersteuning van de (tussen)overweging dat het publiek minder oplettend en voorzichtig is. Deze (tussen)overeweging is samen met de overwegingen dat de kans op schade aanwezig is, dat de gevolgen ernstig zijn en dat het niet bezwaarlijk was om maatregelen te nemen, dragend voor de conclusie dat de sportschool onrechtmatig heeft gehandeld.
In veel gevallen vormt de hoedanigheid van ondernemer een argument in een complexe argumentatiestructuur. Dat het verhoogd gevaar – dat het gevolg is van de hoedanigheid van ondernemer – van doorslaggevende betekenis kan zijn voor het aansprakelijkheidsoordeel, wordt geïllustreerd aan de hand van twee zaken met een vergelijkbaar feitencomplex. In beide zaken was de eiser uitgegleden over een gladde houten vloer en werd de vraag aan de rechter voorgelegd of deze vloer had te gelden als een gebrekkige opstal. In het eerste geval – een zaak van het Hof Amsterdam van 7 februari 2017 – oordeelt de rechter dat de vloer inderdaad gebrekkig was en dat de bezitter van de vloer (in casu: een winkelcentrum) aansprakelijk was voor de geleden schade.9 In een andere zaak bij de rechtbank Overijssel van 4 april 2018 oordeelt de rechter anders. In die zaak wijst de rechtbank de aansprakelijkheid af van de Vereniging van Eigenaren voor een valpartij op de houten vloer op het buitenterras. Opvallend is dat eiser in deze zaak de voornoemde uitspraak van het hof Amsterdam had aangedragen ter ondersteuning van zijn vordering. De rechtbank Overijssel zag echter belangrijke verschillen tussen beide zaken:
“Doorslaggevend verschil betreft de omstandigheid dat in de zaak [van het hof Amsterdam] sprake was van een houten vloer in een winkelcentrum, aldus een voor het openbaar publiek toegankelijke ruimte. Bij een dergelijk voor publiek toegankelijk gebouw zal eerder van een gebrekkige toestand sprake zijn dan bij een niet-openbaar gebouw. Verder heeft het hof [Amsterdam] overwogen dat de bewuste houten vloer direct aansloot op een lift, zodat gebruikers van de lift min of meer onverwacht de houten vloer betreden. Daarnaast heeft het hof in voormelde zaak overwogen dat de vloerdelen in de lengterichting waren geplaatst en dat de technisch manager belast met het toezicht op het winkelcentrum (kennelijk) had geoordeeld dat de anti-sliplaag niet langer voldeed, welk oordeel de eigenaar (kennelijk) ook inmiddels had overgenomen. Ook dergelijke omstandigheden zijn in het onderhavige geval niet gesteld noch gebleken.”10
Het gebruik van het woord ‘doorslaggevend’ lijkt te impliceren dat het voornaamste verschil de publieke toegankelijkheid van het winkelcentrum is ten opzichte van de privésfeer van het appartementencomplex. Het gebruik van de woorden ‘verder’ en ‘daarnaast’ lijkt te impliceren dat de overige verschillen meer dienstdoen als ‘steunargument’.
Ten derde kan een hoger zorgniveau leiden tot een lagere aansprakelijkheidsdrempel. Ook hier geldt dat dit niet moet worden overschat. Het bestaan van een zorgplicht betekent nog niet automatisch dat de laedens aansprakelijk is. Uiteindelijk gaat het om de afweging of de laedens meer risico heeft genomen dan in de gegeven omstandigheden gerechtvaardigd was. Dit vraagt om een contextuele beoordeling. Zoals ik hierboven heb toegelicht kan deze beoordeling gezien worden als een complexe argumentatiestructuur, bestaande uit nevenschikkende en onderschikkende argumentatie. De hoedanigheid van ondernemer vormt een argument in deze structuur. Exemplarisch is een uitspraak van het hof Arnhem-Leeuwarden uit 2015 over een ongeval bij een Ikea-vestiging.11 De argumentatiestructuur zag er als volgt uit.
In dit geval vormt het profijt dat Ikea heeft van de massaliteit de ondersteuning van de (tussen)overweging dat het nemen van voorzorgsmaatregelen niet bezwaarlijk is.
Een vergelijkbare argumentatiestructuur is te zien in de uitspraak van de rechtbank Den Haag uit 2022 over een tripsenplaag.12 De argumentatiestructuur zag er als volgt uit.
In dit geval vormt de hoedanigheid van ondernemer de ondersteuning van de (tussen)overweging dat het nemen van voorzorgsmaatregelen een kleine moeite is en daarom niet bezwaarlijk is. Deze (tussen)overweging is samen met de overige overwegingen (het publiek is minder oplettend en voorzichtig, de kans op schade is aanwezig en de gevolgen zijn ernstig) dragend voor de conclusie dat de spinaziekweker onrechtmatig heeft gehandeld.
Deze positie van het argument ‘hoedanigheid van ondernemer’ in een combinatie van nevenschikkende en onderschikkende argumentatie is ook te zien in een zaak betreffende de inkleuring van het gebrekscriterium van art. 6:173 BW.13
Deze uitspraak illustreert eveneens dat de hoedanigheid van ondernemer niet op zichzelf genomen een reden is voor de verlaging van de aansprakelijkheidsdrempel. De hoedanigheid moet uiteindelijk in samenhang worden bezien met de overige omstandigheden van het geval.