De civielrechtelijke inbedding van het besluitenaansprakelijkheidsrecht
Einde inhoudsopgave
De civielrechtelijke inbedding van het besluitenaansprakelijkheidsrecht (O&R nr. 128) 2021/7.2.6:7.2.6 Tussenconclusie
De civielrechtelijke inbedding van het besluitenaansprakelijkheidsrecht (O&R nr. 128) 2021/7.2.6
7.2.6 Tussenconclusie
Documentgegevens:
mr. P.A. Fruytier, datum 01-06-2021
- Datum
01-06-2021
- Auteur
mr. P.A. Fruytier
- JCDI
JCDI:ADS284580:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Overheid en privaatrecht
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
446. In deze paragraaf zagen we allereerst hoe het civiele relativiteitsvereiste in de loop van de 20e en 21e eeuw door de wetgever en de Hoge Raad is vormgegeven. De wet en wetsgeschiedenis nemen tot uitgangspunt dat aansprakelijkheid bestaat als aan de eisen van art. 6:162 BW is voldaan. Volgens art. 6:163 BW bestaat daarop een uitzondering als de geschonden norm niet strekt tot bescherming van de gelaedeerde tegen de schade zoals door hem geleden. De Hoge Raad heeft dit negatieve criterium sinds het Duwbak Linda-arrest omgekeerd: er bestaat eerst aansprakelijkheid als de geschonden norm strekt tot bescherming van de gelaedeerde tegen de schade zoals door hem geleden.
447. Verder zagen we dat in het algemeen aangenomen wordt dat de relativiteit van wettelijke normen vastgesteld moet worden door uitleg daarvan. De Hoge Raad betrekt daarbij echter soms ook andere gezichtspunten, zoals het gevaar van aansprakelijkheid jegens een onbeperkte groep derden en het secundair daderschap van de als toezichthouder optredende overheid. De relativiteit van een rechtsinbreuk wordt bepaald door het doel en de aard en strekking van het geschonden recht. De relativiteit van ongeschreven normen moet worden vastgesteld op basis van (i) het gevaar waartegen de ongeschreven norm in abstracto wil beschermen, (ii) de voorzienbaarheid van het gevaar voor de laedens en (iii) de achterliggende noties en beginselen van de ongeschreven norm.
448. Ten slotte kwam kort de bestuursrechtelijke relativiteitsleer van art. 8:69a Awb aan de orde. Volgens die leer kan een belanghebbende, kort gezegd, ter vernietiging van een besluit geen beroep doen op normen die kennelijk niet strekken tot bescherming van zijn belangen. De correctie Widdershoven biedt daarop via het vertrouwens- en gelijkheidsbeginsel een beperkte uitzondering. Tot nu toe is niet helemaal duidelijk hoe dit bestuursrechtelijke relativiteitsvereiste zich precies verhoudt tot zijn civiele tegenhanger.