De civielrechtelijke inbedding van het besluitenaansprakelijkheidsrecht
Einde inhoudsopgave
De civielrechtelijke inbedding van het besluitenaansprakelijkheidsrecht (O&R nr. 128) 2021/7.2.4:7.2.4 De relativiteit van de rechtsinbreuk en van ongeschreven normen
De civielrechtelijke inbedding van het besluitenaansprakelijkheidsrecht (O&R nr. 128) 2021/7.2.4
7.2.4 De relativiteit van de rechtsinbreuk en van ongeschreven normen
Documentgegevens:
mr. P.A. Fruytier, datum 01-06-2021
- Datum
01-06-2021
- Auteur
mr. P.A. Fruytier
- JCDI
JCDI:ADS284664:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Overheid en privaatrecht
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HR 14 maart 1958, ECLI:NL:HR:1958:147, NJ 1961/570 (Spitfire) en Asser/Sieburgh 6-IV 2019, nr. 135-136.
Zie reeds HR 11 maart 1937, ECLI:NL:HR:1937:AG1891, NJ 1937/899, m.nt. E. Meijers (Holdisco). Verder bijv. HR 4 januari 1963, ECLI:NL:HR:1963:AG2064, NJ 1964/434 (Scholten’s aardappelmeelfabrieken). Zie hierover nader Asser/Sieburgh 6-IV 2019 nr. 135.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
422. De relativiteitsleer springt het meest in het oog waar de onrechtmatigheid is gebaseerd op schending van een wettelijke norm. De leer is daartoe echter niet beperkt. We zagen eerder in §7.2.1 al dat de relativiteitsleer ook de beschermingsomvang bepaalt van de rechtsinbreuk1 en van regels van ongeschreven recht.2 Deze paragraaf beschrijft hoe de relativiteit bij deze onrechtmatigheidscategorieën volgens de huidige dogmatiek vastgesteld moet worden.
7.2.4.1 De relativiteit bij rechtsinbreuk7.2.4.2 De relativiteit van ongeschreven normen