RvdW 2025/1006:Medeplegen diefstal met geweld (art. 312 lid 2 onder 2 Sr), medeplegen afpersing (art. 317 lid 3 Sr jo. art. 312 lid 2 onder 2 Sr) en medeplegen wederrechtelijke vrijheidsberoving (art. 282 lid 1 Sr). Vrijspraak in eerste aanleg t.z.v. diefstal met geweld en afpersing. 1. Bewijsklachten medeplegen. 2. Bewijsklachten dubbel opzet. 3. Overschrijding redelijke termijn in hoger beroep. Heeft hof voldoende inzichtelijk gemaakt hoe het de overschrijding van redelijke termijn heeft verdisconteerd in opgelegde straf? Ad 1. en 2. HR: Om redenen vermeld in CAG leiden middelen niet tot cassatie. CAG: Ad 1. Hof heeft kennelijk en niet onbegrijpelijk uit bewijsmiddelen afgeleid dat verdachte zich niet alleen niet heeft onttrokken aan situatie maar ook dat hij conform plan door het gezamenlijk optrekken en gezamenlijk blijven optreden, aan verschillende feiten heeft bijgedragen. Uit b.m. heeft hof aldus kunnen afleiden dat samenwerking tussen verdachte en medeverdachten zo nauw en bewust is geweest dat van medeplegen sprake is geweest. ’s Hofs overwegingen geven niet blijk van onjuiste rechtsopvatting en zijn evenmin onbegrijpelijk. Ad 2. Opzet van verdachte op grondfeiten kan worden aangenomen o.g.v. ’s hofs vaststelling dat verdachte in Whatsapp-groep zat en (niet toevalligerwijs) op belangrijke momenten voorafgaand aan en tijdens bewezenverklaarde feiten aanwezig was. Bovendien geldt dat t.a.v. uitvoeringshandelingen (van medeverdachten) in zekere zin slechts ‘globaal opzet’ is vereist. Ook heeft hof niet onbegrijpelijk gewicht toegekend aan omstandigheid dat letsel van aangever uitwendig zichtbaar was. Niet alleen wordt dat gebaseerd op hetgeen forensische arts heeft geconstateerd maar ook op verklaringen van medeverdachten. Ad 3. Met het oog op de door HR uit te oefenen controle moet rechter in geval van strafvermindering wegens overschrijding van redelijke termijn a.b.i. art. 6 lid 1 EVRM, in zijn uitspraak vermelden welke straf zou zijn opgelegd als redelijke termijn niet zou zijn overschreden, dan wel anderszins voldoende duidelijk laten blijken op welke wijze overschrijding van redelijke termijn in bestraffing is verdisconteerd (vgl. HR 17 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:442). Hof heeft in zijn strafmotivering tot uitdrukking gebracht dat bij strafoplegging rekening is gehouden met overschrijding van redelijke termijn. Hof heeft echter, in het licht van het namens verdachte gevoerde verweer over overschrijding van redelijke termijn, nagelaten in uitspraak duidelijk te maken in welke mate straf is verlaagd wegens overschrijding van redelijke termijn. HR doet zaak zelf af door opgelegde gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk, met 1 maand te verminderen.