Einde inhoudsopgave
Het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel (FM nr. 170) 2021/7.3.2
7.3.2 Invulling van het ‘andere afloop’-criterium aan de hand van de specifieke omstandigheden van het geval
Anneke Els Keulemans, datum 01-08-2021
- Datum
01-08-2021
- Auteur
Anneke Els Keulemans
- JCDI
JCDI:ADS362895:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal procesrecht / Beroepsfase
Fiscaal procesrecht / Procesorde
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Fiscaal bestuursrecht / Bezwaarfase
Europees belastingrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
HvJ 10 september 2013, zaak C-383/13 PPU, (G. en R.), punt 38 e.v.
HvJ 21 maart 1990, zaak C-142/87, (België/Commissie), punt 48.
Zie bijvoorbeeld: HR 16 september 2016, nr. 15/01894, NTFR 2016/2382, BNB 2016/208, r.o. 4.2; HR 26 juni 2015, nr. 10/02774bis, NTFR 2015/1928, BNB 2015/186, r.o. 2.3.3; HR 14 augustus 2015, nr. 13/01940, NTFR 2015/2450, BNB 2015/207, r.o. 2.7.3.
De tweede invulling die het Hof van Justitie geeft, houdt in dat het ‘andere afloop’-criterium moet worden ingevuld aan de hand van de specifieke omstandigheden van het geval.1 Hierin past het oordeel van het Hof van Justitie in de zaak België/Commissie.2 Het Hof van Justitie constateerde in die zaak dat de opmerkingen die de Belgische regering had willen maken, maar waarvoor zij de gelegenheid niet had gekregen, geen aanvullende gegevens bevatten naast die waarover de Commissie reeds beschikte en die ook bij de Belgische regering bekend waren. In die omstandigheden kon het feit dat de Belgische regering niet de gelegenheid heeft gehad haar standpunt naar behoren en effectief kenbaar te mogen maken, geen invloed hebben gehad op het resultaat van de administratieve procedure. Van een andere afloop kon in die omstandigheden geen sprake zijn. De Hoge Raad vult het ‘andere afloop’-criterium ook op deze wijze in.3