Einde inhoudsopgave
Naar een Nederlandse political question-doctrine? (SteR nr. 50) 2020/5.5.2
5.5.2 Het inreisverbod van President Trump: Trump v. Hawaii (2018)
mr. drs. R. van der Hulle, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. drs. R. van der Hulle
- JCDI
JCDI:ADS233787:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Rechtspraak
Voetnoten
Voetnoten
Zie hierover ook Van der Hulle 2019.
Presidential Proclamation No. 9645, Enhancing Vetting Capabilities and Processes for Detecting Attempted Entry Into the United States by Terrorists or Other Public-Safety Threats (24 september 2017), WestLaw 4257998.
Voor Tsjaad is het inreisverbod inmiddels opgeheven. Zie Presidential Proclamation No. 9723, Maintaining Enhanced Vetting Capabilities and Processes for Detecting Attempted Entry into the United States by Terrorists or Other Public-Safety Threats (10 april 2018), WestLaw 1759823.
U.S. Supreme Court 26 juni 2018, 138 S.Ct. 2392 (Trump v. Hawaii), 2416.
Idem, p. 2409-2415.
Zie bijv. U.S. Supreme Court 21 april 1982, 456 U.S. 228 (Larson v. Valente); U.S. Supreme Court 19 juni 1987, 482 U.S. 578 (Edwards v. Aguillard); U.S. Supreme Court 11 juni 1993, 508 U.S. 520 (Church of Lukumi Babalu Aye v. Hialeah).
U.S. Supreme Court 26 juni 2018, 138 S.Ct. 2392 (Trump v. Hawaii), 2416-2417.
Idem, p. 2415: ‘The Proclamation is squarely within the scope of Presidential authority under the INA. Indeed, neither dissent even attempts any serious argument to the contrary, despite the fact that plaintiffs’ primary contention below and in their briefing before this Court was that the Proclamation violated the statute.’
Idem, p. 2409.
Idem, p. 2413-2414.
Idem, p. 2420-2421.
Idem, p. 2420.
Idem: ‘[T]he Government has suggested that it may be appropriate here for the inquiry to extend beyond the facial neutrality of the order. For our purposes today, we assume that we may look behind the face of the Proclamation to the extent of applying rational basis review. That standard of review considers whether the entry policy is plausibly related to the Government’s stated objective to protect the country and improve vetting processes.’
Idem, p. 2421-2422.
Idem, p. 2418.
Dat de Mandel-doctrine nog altijd geldt, blijkt ook uit het recente oordeel in de zaak Trump v. Hawaii over het inreisverbod van President Trump.1 Zoals beschreven, waren de beroepen tegen de eerste twee versies van dit verbod moot geworden, omdat de geldigheidsduur van het inreisverbod was beperkt tot 90 dagen en in de tussentijd was verstrekken. Daardoor kon het Hof zich over deze eerdere versies van het inreisverbod niet inhoudelijk uitspreken.
President Trump kondigde echter een derde versie van het inreisverbod af.2 Ook deze derde versie voorziet in een opschorting van de toelating van personen uit een beperkt aantal, overwegend islamitische landen: Tsjaad, Iran, Libië, Somalië, Syrië, Jemen, Venezuela en Noord-Korea. Aan de keuze om de derde versie van het inreisverbod tot deze landen te richten, was een onderzoek ten grondslag gelegd naar de bereidheid van landen om informatie uit te wisselen over de identiteit en achtergrond van personen die naar de Verenigde Staten willen reizen. Daaruit was gebleken dat de genoemde landen niet of slechts in beperkte mate bereid bleken om informatie uit te wisselen over de identiteit en achtergrond van deze personen. Afhankelijk van de bereidheid van deze landen om dergelijke informatie uit te wisselen en de kwaliteit daarvan, gaat het verbod voor sommige landen verder dan voor andere landen of is het verbod inmiddels opgeheven.3
Anders dan bij de eerdere versies is de derde versie van het verbod niet in tijd beperkt. Mootness stond daarom niet aan een inhoudelijke beoordeling daarvan in de weg. Hetzelfde geldt voor ripeness en standing. In dat verband overwoog het Hof dat het inreisverbod mede gevolgen had voor de mogelijkheid van Amerikaanse staatsburgers om met hun familieleden te worden verenigd. Van een concreet en individualiseerbaar nadeel was daarmee sprake:
‘We agree that a person’s interest in being united with his relatives is sufficiently concrete and particularized to form the basis of an Article III injury in fact.’4
Tegenstanders van het inreisverbod hadden aangevoerd dat President Trump niet bevoegd was een dergelijke maatregel vast te stellen. Hoewel de Immigration and Nationality Act aan de President de bevoegdheid toekent om burgers de toegang tot de Verenigde Staten te ontzeggen indien het algemeen belang dat volgens hem vereist, was volgens tegenstanders niet gebleken dat het algemeen belang tot het inreisverbod noopte. Ook meenden zij dat het inreisverbod in strijd is met het gelijkheidsbeginsel en mede om die reden de wet doorkruiste, nu het verbod in werkelijkheid was ingegeven door een afkeer van de islam. Steun daarvoor ontleenden zij aan uitlatingen van President Trump op Twitter en in andere media die erop duidden dat het inreisverbod in werkelijkheid was bedoeld als instrument om moslims uit de Verenigde Staten te weren.5
Deze afkeer maakte het inreisverbod volgens tegenstanders ook in strijd met de Establishment Clause van het Eerste Amendement. Op grond van die bepaling is de overheid verplicht om religies neutraal te behandelen. Het is daarom niet toegestaan de ene religie te bevoordelen of te benadelen ten opzichte van andere religies.6 Volgens tegenstanders gaf het inreisverbod wel blijk van een dergelijke benadeling en waren de uitlatingen van Trump voorafgaand en na de vaststelling van het verbod illustratief daarvoor.7
Het Hooggerechtshof wees beide argumenten van de hand. Volgens het Hof voldeed het inreisverbod aan alle in de Immigration and Nationality Act gestelde voorwaarden.8 Hoewel het Hof zich openlijk afvroeg of het aan de rechter is om na te gaan of het algemeen belang noopt tot het treffen van deze maatregel, meende het dat de noodzaak daartoe voldoende was gemotiveerd. Concreet doelde het Hof daarmee op het hiervoor bedoelde onderzoek naar de bereidheid van landen om informatie uit te wisselen over de identiteit en achtergrond van burgers. 9Anders dan de tegenstanders hadden betoogd, was het verbod volgens het Hof evenmin in strijd met het gelijkheidsbeginsel en de structuur van de wet. Daartoe overwoog het dat de Immigration and Nationality Act uitsluitend in de weg staat aan het maken van onderscheid op basis van nationaliteit of religie bij het beoordelen van individuele verzoeken om toelating tot de Verenigde Staten, en niet bij de daaraan voorafgaande vaststelling van de personen die voor toelating in aanmerking kunnen komen.10
Het Hof ging vervolgens in op de gestelde strijd met de Establishment Clause. Daarbij viel het terug op de hiervoor besproken Mandel-doctrine. Zoals gezegd, moet de rechter op grond van die doctrine zich beperken tot de vraag of de redenen die aan een beslissing of maatregel van de President ter vormgeving van het immigratiebeleid ten grondslag zijn gelegd op het eerste gezicht legitiem en te goeder trouw zijn. Volgens het Hof was dat hier het geval: het aan het inreisverbod ten grondslag gelegde belang van de bescherming van de nationale veiligheid is een dergelijke reden.11 Het is volgens het Hof niet aan de rechter om de feiten en omstandigheden die aan een maatregel ten grondslag zijn gelegd af te wegen, en daarmee een oordeel te geven over de noodzaak en effectiviteit van de maatregel:
‘A conventional application of Mandel, asking only whether the policy is facially legitimate and bona fide, would put an end to our review.’12
Ten overvloede voegde het Hof hieraan toe dat zelfs bij een minder terughoudende toetsing, de conclusie niet anders zou zijn geweest.13 Volgens het Hof kon in redelijkheid niet worden gezegd dat het inreisverbod in geen enkel opzicht verband houdt met de bescherming van de nationale veiligheid, maar in werkelijkheid uitsluitend was ingegeven door een afkeer van een bepaalde religie.14 Aan de uitlatingen van President Trump kwam in dit verband niet de door tegenstanders gewenste betekenis toe, temeer nu veel uitlatingen dateerden van vóór zijn aantreden als President:
‘Plaintiffs argue that this President’s words strike at fundamental standards of respect and tolerance, in violation of our constitutional tradition. But the issue before us is not whether to denounce the statements […] – many of which were made before the President took the oath of office.’15