De autonomie van de leraar
Einde inhoudsopgave
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/4.5.5.3:4.5.5.3 Toezicht op het pedagogisch-didactisch handelen van de leraar
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/4.5.5.3
4.5.5.3 Toezicht op het pedagogisch-didactisch handelen van de leraar
Documentgegevens:
J.S. Buiting, datum 07-02-2024
- Datum
07-02-2024
- Auteur
J.S. Buiting
- JCDI
JCDI:ADS949308:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie Stcr. 2023, 21080, p. 22 (primair onderwijs) Stcr. 2021, 34766, p. 159 (voortgezet onderwijs) en p. 261 (middelbaar beroepsonderwijs).
Stcr. 2021, 34766, p. 159.
Artikelen 1.4, tweede lid, 2.2, eerste lid, 2.89 en 2.90 van de Wvo 2020.
Stcr. 2021, 34766, p. 261.
Artikel 7.1.2, tweede lid, artikel 7.2.7, vijfde en zesde lid, en artikel 7.4.8, eerste lid, van de Web.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Voor de autonomie van de leraar bij het geven van onderwijs en het afnemen van examens zijn twee kwaliteitsgebieden waar de Inspectie toezicht op houdt van bijzonder belang, namelijk het pedagogisch-didactisch handelen en de afsluiting van het onderwijs. Op deze twee kwaliteitsgebieden wordt hierna nader ingegaan.
In de onderzoekskaders voor het primair, voortgezet en middelbaar beroepsonderwijs is in het kwaliteitsgebied Onderwijsproces onder meer de standaard Pedagogisch-didactisch handelen opgenomen.1 Deze standaard wordt voor het primair en voortgezet onderwijs verschillend ingevuld, in het vervolg wordt bij wijze van voorbeeld ingegaan op het voortgezet onderwijs. In deze sector moet het pedagogisch handelen van de leraar, leerlingen in staat stellen om te leren en zich te ontwikkelen. Aan de basiskwaliteit wordt onder deze standaard als volgt voldaan:
“De pedagogisch-didactische visie van de school is zichtbaar in het dagelijks handelen van de leraren. De leraren plannen en structureren hun handelen met behulp van informatie die zij over leerlingen hebben. Zij maken pedagogische en didactische keuzes en stemmen daarbij het niveau van hun onderwijs af op het beoogde eindniveau van de leerlingen. De leerstof omvat kennis, vaardigheden en attitudes en wordt in een logische opbouw aangeboden. De leraren creëren een pedagogisch en didactisch passend en stimulerend leerklimaat, waardoor leerlingen actief en betrokken zijn. Met geschikte opdrachten en heldere uitleg structureren de leraren het onderwijsaanbod zo dat de leerlingen zich het leerstofaanbod eigen kunnen maken. Leraren hebben hoge verwachtingen van leerlingen en geven leerlingen feedback op hun leerproces. De leraren stemmen de instructies, begeleiding, opdrachten en onderwijstijd doelgericht af op de onderwijsbehoeften van groepen en individuele leerlingen, inclusief op de sociale en maatschappelijke competenties. De afstemming is zowel gericht op (pedagogische) ondersteuning als op uitdaging, afhankelijk van de onderwijsbehoeften van leerlingen.”2
Opvallend aan deze standaard is dat hierin mede wordt beschreven op welke wijze de leraar onderwijs moet geven. Zo moet de leraar plannen en structuren, pedagogische en didactische keuzes afstemmen op het beoogd eindniveau van de leerlingen, geschikte opdrachten geven en helder uitleg geven. Hoewel dit taken zijn die bij de leraar thuishoren, wijkt dit af van de wijze waarop regels worden gesteld in de sectorwetten. Die regels hebben het bevoegd gezag als normadressaat. Het bevoegd gezag moet er vervolgens voor zorgen dat het personeel lesgeeft conform de onderwijswetten. In de onderwijswetten wordt de leraar verder nauwelijks genoemd. Ook deze standaard richt zich formeel tot het bevoegd gezag, hij is immers object van toezicht en niet de leraar. Evenwel kan uit de standaard afgeleid worden op welke wijze de Inspectie toetst of de leraar ten aanzien van pedagogisch-didactisch handelen zijn werk op de juiste wijze doet.
Uit het onderzoekskader blijkt dat de standaard pedagogisch- en didactisch handelen is afgeleid uit verschillende artikelen uit de Wvo 2020.3 Het pedagogisch-didactisch handelen komt in deze wetten enkel expliciet terug in de artikelen over het schoolplan. Daarin is bepaald dat het personeelsbeleid een omschrijving omvat van het pedagogisch-didactisch handelen van het onderwijspersoneel. Het is aan het bevoegd gezag om uit te werken hoe het pedagogisch-didactisch handelen voor die school verder wordt uitgewerkt. Dit past bij de aan hem toekomende inrichtingsvrijheid. In haar standaard werkt de Inspectie echter zelf uit wat onder het pedagogisch-didactisch handelen van het onderwijspersoneel moet worden verstaan. Hoewel dit het bevoegd gezag duidelijkheid biedt over de wijze waarop de Inspectie toezicht houdt, beperkt de Inspectie hiermee de inrichtingsvrijheid van het bevoegd gezag. De Inspectie gaat met deze standaard dan ook haar bevoegdheid te buiten.
In het middelbaar beroepsonderwijs geldt een andere standaard voor het pedagogisch-didactisch handelen dan in het primair en voortgezet onderwijs. In deze standaard stelt het onderwijsteam studenten in staat om te leren en zich te ontwikkelen. Ook de basiskwaliteit wordt anders ingevuld:
“Uit het pedagogisch en didactisch handelen van het team blijkt dat er sprake is van een gedeelde visie, dan wel uitgangspunten. Het onderwijsteam zorgt voor effectieve leersituaties. Het team stemt de instructies, begeleiding, opdrachten en onderwijstijd doelgericht af op de onderwijsbehoeften van groepen en individuele studenten. De afstemming is zowel gericht op (pedagogische) ondersteuning als op uitdaging, afhankelijk van de onderwijsbehoeften van groepen en individuele studenten. Het team plant en structureert zijn handelen met behulp van informatie die het over studenten heeft. Het maakt didactische keuzes waarbij het niveau en de complexiteit van het onderwijs in lijn is met het onderliggende kwalificatiedossier. Het team realiseert bovendien een evenwichtige verbinding tussen leren in de beroepspraktijkvorming en het leren binnen de instelling. Het team creëert een pedagogisch en didactisch passend en stimulerend leerklimaat, waardoor studenten actief en betrokken zijn. Met geschikte opdrachten en heldere uitleg structureert het team het onderwijsaanbod zo, dat studenten zich het leerstofaanbod eigen kunnen maken. Het team heeft positieve verwachtingen van studenten en geeft hun gerichte feedback op hun leerproces.”4
In deze standaard voor het middelbaar beroepsonderwijs staat niet alleen het onderwijsteam centraal, maar wordt ook benoemd dat het onderwijs in lijn moet zijn met het kwalificatiedossier en dat er een balans gevonden moet worden tussen leren in de praktijk en leren binnen de school. De standaard komt verder in hoofdlijnen overeen met de standaard Pedagogisch-didactisch handelen in het voortgezet onderwijs. Net als de standaard in deze sectoren wordt de standaard voor het middelbaar beroepsonderwijs afgeleid uit een aantal artikelen uit de betreffende sectorwet, namelijk de Web.5 Deze artikelen bevatten algemene taken voor het bevoegd gezag. In de Web is geen specifieke plicht opgenomen om beleid te maken omtrent het pedagogisch-didactisch handelen van de leraar. In dit geval is de standaard problematisch omdat die niet direct teruggeleid kan worden tot voorschriften uit de Web, maar wel kan bijdragen aan het oordeel onvoldoende of zeer zwak.
De standaard pedagogisch-didactisch handelen is van belang voor het bevoegd gezag en de leraar in het primair, voortgezet en middelbaar beroepsonderwijs. Het toezicht dat de Inspectie uitoefent ten aanzien van de wijze waarop de leraar zijn beroep uitoefent, wordt immers gebaseerd op deze standaard. Het bevoegd gezag en de leraar moeten dan ook kennisnemen van de standaard om te bepalen of het onderwijs voldoet aan de basiskwaliteit van pedagogisch-didactisch handelen dat de Inspectie heeft geabstraheerd uit de betreffende onderwijswetten. Daarnaast is de standaard voor de leraar interessant omdat deze standaard, anders dan de onderwijssectorwetten, een basaal kader geeft voor de wijze waarop de leraar zijn beroep moet uitoefenen.