De autonomie van de leraar
Einde inhoudsopgave
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/4.5.5.6:4.5.5.6 Accreditatie door de NVAO
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/4.5.5.6
4.5.5.6 Accreditatie door de NVAO
Documentgegevens:
J.S. Buiting, datum 07-02-2024
- Datum
07-02-2024
- Auteur
J.S. Buiting
- JCDI
JCDI:ADS949576:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Artikel 5.2 van de Whw.
Artikel 5.12 van de Whw.
Artikel 5.14 van de Whw.
Artikel 5.15 van de Whw.
Artikel 5.17 van de Whw.
Artikel 3.9 Uitvoeringsbesluit WHW 2008.
Stcr. 2019, 3198.
Artikel 5.3 van de Whw.
Artikel 5.3, eerste, vierde en vijfde lid, van de Whw. Zie over de status van het accreditatiekader uitgebreider De Boer 2021, p. 128-140.
Stcr. 2019, 3198, p. 24-27.
Stcr. 2019, 3198, p. 25-26.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In het hoger onderwijs dient de NVAO als externe waarborg voor de kwaliteit van het hoger onderwijs. De NVAO is een zelfstandig bestuursorgaan dat onder meer belast is met het verlenen van accreditatie.1 Anders dan de Inspectie houdt de NVAO geen toezicht op de naleving van de bij of krachtens de Whw gestelde voorschriften. Accreditatie is een vorm van certificering waarbij vastgesteld wordt of de opleiding voldoet aan de toepasselijke kwaliteitsaspecten. Het verkrijgen van accreditatie is voor een opleiding van groot belang. Hieraan is de bekostiging, de graad verlenende bevoegdheid en het recht op studiefinanciering voor de aan die opleiding studerende studenten verbonden.2
Een opleiding in het hoger onderwijs wordt elke zes jaar beoordeeld. Bij de accreditatie van een bestaande opleiding worden de volgende kwaliteitsaspecten betrokken:
het beoogde eindniveau van de opleiding, gelet op hetgeen internationaal gewenst en gangbaar is,
de inhoud en opzet van het onderwijsprogramma,
de kwaliteit van het docententeam,
de opleiding specifieke voorzieningen alsmede de instellingsbrede voorzieningen die van invloed zijn op de kwaliteit van de opleiding, daaronder mede begrepen voldoende studiebegeleiding en voorzieningen die de toegankelijkheid en studeerbaarheid voor studenten met een functiebeperking bevorderen,
de vormgeving en effectiviteit van de interne kwaliteitszorg gericht op de systematische verbetering van de opleiding,
het gerealiseerde eindniveau, gelet op hetgeen internationaal gewenst en gangbaar is, en
de deugdelijkheid van beoordeling, toetsing en examinering van de studenten.3
Voor nieuwe opleidingen gelden andere kwaliteitsaspecten, waar hier niet nader op wordt ingegaan. Indien aan een instelling een erkenning instellingstoets kwaliteitszorg (ITK) is verleend, worden bij de accreditatie van een bestaande opleiding enkel de kwaliteitsaspecten genoemd onder a, b, c, en g betrokken.4
De beoordeling van de opleiding wordt uitgevoerd door een commissie van deskundigen. Deze deskundigen zijn zogenaamde peers. Dit zijn vakgenoten van andere instellingen.5 Op basis van het visitatierapport dat is opgesteld door de commissie van deskundigen bepaalt het accreditatieorgaan of accreditatie wordt verleend.6 Accreditatie wordt geweigerd indien de kwaliteit van de opleiding op een of meer van de kwaliteitsaspecten negatief wordt beoordeeld.7 Accreditatie kan ook onder voorwaarden worden verleend. Dit is enkel mogelijk indien het gerealiseerd eindniveau op orde is en indien de tekortkomingen op de andere kwaliteitsaspecten binnen twee jaar weggewerkt kunnen worden.8
De wijze waarop accreditatie wordt uitgevoerd is nader uitgewerkt in het Beoordelingskader accreditatiestelsel hoger onderwijs Nederland (het accreditatiekader).9 Het accreditatiekader wordt vastgesteld door de NVAO na goedkeuring van de minister.10 Het accreditatiekader is een algemeen verbindend voorschrift. De NVAO heeft een uit de Whw voortvloeiende bevoegdheid om onder meer de wettelijke kwaliteitsaspecten nader uit te werken en te publiceren.11 Hoewel het accreditatiekader een uitwerking zou moeten bevatten van de hiervoor opgesomde zeven kwaliteitsaspecten, komen deze aspecten niet terug in het accreditatiekader. In de plaats daarvan wordt gewerkt met twaalf kwaliteitsstandaarden.12 Hoe deze standaarden precies zijn ontleend aan de kwaliteitsaspecten wordt uit het accreditatiekader niet duidelijk. Als de betreffende instelling geen ITK heeft behaald, worden alle 12 standaarden betrokken bij de accreditatie. Wanneer de instelling wel een ITK heeft, dan worden slechts 4 standaarden getoetst. De hierna beschreven standaarden 1, 6 en 10 maken hier, in iets andere bewoordingen, deel vanuit.
Om in aanmerking te komen voor accreditatie dient in elk geval standaard 1 positief beoordeeld te worden. In deze standaard is uitgewerkt dat de beoogde leerresultaten passen bij het niveau en de oriëntatie van de opleiding en zijn afgestemd op de verwachtingen van het beroepenveld, het vakgebied en internationale eisen. Voor de leraar en het examen zijn daarnaast standaard 6 en standaard 10 relevant.13 Uit standaard 6 blijkt dat bij accreditatie wordt getoetst of het docententeam gekwalificeerd is voor de inhoudelijke en onderwijskundige realisatie van de opleiding. Het docententeam moet voldoende deskundig zijn, de taal beheersen waarin het onderwijs wordt gegeven en er moet voldoende personeel beschikbaar zijn om studenten te begeleiden. In standaard 10 is vastgelegd dat de opleiding beschikt over een adequaat systeem van toetsing. De beoordeling van tentamens moet valide, betrouwbaar en voldoende onafhankelijk zijn. Daarnaast moet de examencommissie haar taak uitoefenen.