Antichresis en pandgebruik
Einde inhoudsopgave
Antichresis en pandgebruik (O&R nr. 125) 2021/4.2.2:4.2.2 Stilzwijgend recht van pandgebruik: antichresis tacita
Antichresis en pandgebruik (O&R nr. 125) 2021/4.2.2
4.2.2 Stilzwijgend recht van pandgebruik: antichresis tacita
Documentgegevens:
mr. R. Bobbink, datum 01-02-2021
- Datum
01-02-2021
- Auteur
mr. R. Bobbink
- JCDI
JCDI:ADS264461:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Genotsrechten
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Noodt, De foenore et usuris, nr. 2.9; Voet, Ad Pandectas I, nr. 20.1.23; Huber/Huber, Hedendaegse Rechts-geleertheyt, nr. 2.48.7; De Groot, Inleydinge, nr. 3.8.5; Huber, Praelectionum juris civilis III, nr. 20.1.15; Van der Keessel, Praelectiones, nr. 3.8.5; Thomas 2007, p. 61-62.
Vinnius, Quaestiones Selectae, nr. 2.7.
Vinnius, Quaestiones Selectae, nr. 2.7.
Voet, Ad Pandectas I, nr. 20.1.23.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Als partijen geen beding van pandgebruik hadden opgenomen in de pandovereenkomst, kon een recht van pandgebruik alsnog stilzwijgend ontstaan. Er bestond consensus in de literatuur over het feit dat een stilzwijgend recht van pandgebruik mogelijk was.1 Huber, Noodt, Voet en Van der Keessel leidden het bestaan van een stilzwijgend recht van pandgebruik af uit D. 20,2,8. De Groot vond steun in C. 4,24,1.
Vinnius vertegenwoordigde een minderheidsstandpunt. Hij suggereerde dat antichresis tacita in het geheel niet mogelijk was: “nulla potest esse tacita antichresis”2, geen antichrese kan stilzwijgend zijn. Verderop in zijn werk zwakte hij dit standpunt echter af. Vinnius erkende dat op grond van D. 20,2,8 een recht van pandgebruik kon ontstaan, zelfs als hieraan geen uitdrukkelijke afspraak ten grondslag lag. Dit kon volgens Vinnius echter pas als de schuldenaar in verzuim kwam.3 De overige auteurs die ik hiervoor aanhaalde, waren van mening dat een stilzwijgend recht van pandgebruik ook al kon ontstaan voordat de schuldenaar in verzuim kwam. Het rechtsgevolg van een recht van pandgebruik kon al intreden op het moment van vestiging van een vuistpandrecht, zelfs als tussen pandgever en pandhouder geen afspraken over pandgebruik waren gemaakt. Voet merkte op dat, ongeacht of de interpretatie van Vinnius of de overige auteurs de juiste was, uit D. 20,2,8 voortvloeide dat een stilzwijgend recht van pandgebruik mogelijk was.4
Het bestaan van de een stilzwijgend recht van pandgebruik was in het Rooms-Hollandse recht dus (bijna) onomstreden. Over het antwoord op de vraag welke functie een stilzwijgend recht van pandgebruik had, bestond echter discussie. Deze discussie zet ik uiteen in §4.4.5.