De autonomie van de leraar
Einde inhoudsopgave
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/5.10.5.6:5.10.5.6 Overzicht
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/5.10.5.6
5.10.5.6 Overzicht
Documentgegevens:
J.S. Buiting, datum 07-02-2024
- Datum
07-02-2024
- Auteur
J.S. Buiting
- JCDI
JCDI:ADS949464:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In de hiervoor beschreven zaken stellen de betreffende rechters steeds voorop dat zij enkel kunnen ingrijpen in de beoordeling als deze apert onzorgvuldig of onjuist is uitgevoerd. Vervolgens treden zij in meer of mindere mate toch in de beoordeling. Gezien de vaste jurisprudentie is dat niet direct een bezwaar, de rechter dient immers te onderzoeken of de beoordeling niet apert onzorgvuldig of onjuist is uitgevoerd. De bewijslast om dit aan te tonen ligt in beginsel bij de leerling. De rechter dient dit vervolgens af te wegen tegen de beoordelingsvrijheid van de examinator onder de veronderstelling dat hij deskundig is. De lat om in de beoordeling van een examinator te treden ligt dan ook hoog. Van een apert onzorgvuldige of onjuiste beoordeling zal niet snel sprake zijn.
In de zaken over het examen publiekrecht en het examen economie wijkt de rechter af van het gebruikelijke toetsingskader door de antwoorden van de leerling vanuit zijn eigen expertise zelf nogmaals te beoordelen. In beide zaken zegt de rechter eigenlijk het examen net zo goed te kunnen beoordelen als de examinatoren. In casu respecteren beide rechters de vakdeskundigheid en de beoordelingsvrijheid van de examinatoren dan ook niet. Op basis van de eigen ideeën over de antwoorden komen de rechters tot de conclusie dat de beoordeling niet juist is uitgevoerd. Dit is in het bijzonder kwalijk bij de uitspraak over het examen Publiekrecht. In die zaak stelt de rechter dat verwacht wordt dat de onderwijsinstelling het betreffende deelcertificaat alsnog zonder voorbehoud en onvoorwaardelijk afgeeft. In casu bepaalt de rechter dan ook hoe het examen beoordeeld had moeten worden.
De uitspraken in de zaken over de examens wiskunde en het examen Duits zijn begrijpelijker. In de zaak over het examen Wiskunde uit 2017 komt de rechter aan de hand van verklaringen van drie hoogleraren tot de conclusie dat voldoende aannemelijk is geworden dat sprake is van een apert onjuiste en/of onzorgvuldige beoordeling. Vervolgens bepaalt de rechter dat de correctoren het examen opnieuw dienen te beoordelen, eventueel met de hulp van de Inspectie of een derde corrector. De rechter stelt terecht niet op deze beoordeling vooruit te kunnen lopen en daarmee te treden in de gebonden bevoegdheden van de examinatoren. Ook in de zaken over het examen Wiskunde uit 2018 bepaalt de rechter dat de beoordeling niet zorgvuldig tot stand is gekomen. De rechter treedt ook hier niet zelf in de beoordeling, maar bepaalt dat het examen herbeoordeeld dient te worden door een derde. De uiteindelijke (her)beoordeling van het examen ligt volgens de burgerlijke rechter dan ook bij de leraar, de rechter kan enkel aansturen op een herbeoordeling als voldoende aannemelijk is geworden dat sprake is van een apert onjuiste en/of onzorgvuldige beoordeling.