De grondwetsherzieningsprocedure
Einde inhoudsopgave
De grondwetsherzieningsprocedure (SteR nr. 52) 2021/II.5.4.1:II.5.4.1 Tussentijdse verkiezingen
De grondwetsherzieningsprocedure (SteR nr. 52) 2021/II.5.4.1
II.5.4.1 Tussentijdse verkiezingen
Documentgegevens:
T. van Gennip, datum 01-08-2021
- Datum
01-08-2021
- Auteur
T. van Gennip
- JCDI
JCDI:ADS285042:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De kritiek op de ontbindingseis ziet vooral op het gevolg van het ontbindingsbesluit: verkiezingen. Terecht bestaan er vraagtekens bij de idee dat de verkiezingen in het licht van artikel 137 lid 3 Gw over de betreffende grondwetsherziening gaan. Vaak is dan gesteld dat de verkiezingen geen echte kiezersraadpleging zijn. De Staatscommissie-Cals/Donner stelde in 1971: ‘Als volksraadpleging over de grondwetsherziening zijn deze verkiezingen echter niet geslaagd.’1 Volgens anderen zou de kiezersraadpleging een fictie zijn.2
Bij de meeste verkiezingen bestaat er inderdaad geen prominente rol voor aangelegenheden betreffende een grondwetsherziening.3 Echter, als het zo is dat grondwetsherzieningen geen grote rol spelen bij verkiezingen, dan komt de volgende vraag in beeld: is de eis dat er tussentijdse verkiezingen van de Tweede Kamer moeten plaatsvinden gebrekkig?
Ter beantwoording van die vraag is het verhelderend om naar de historische achtergrond te kijken van het Nederlandse representatieve stelsel. Dit representatieve stelsel is een complex fenomeen. Er bestaan namelijk meerdere visies op representatie. Een oorspronkelijke visie en een moderne visie.