Einde inhoudsopgave
Het algemene opschortingsrecht (R&P nr. CA27) 2024/2.7.2
2.7.2 Rechtsgevolgen van een ongegrond beroep op het algemene opschortingsrecht
G.J. Boeve, datum 01-02-2024
- Datum
01-02-2024
- Auteur
G.J. Boeve
- JCDI
JCDI:ADS950317:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
HR 4 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2517, NJ 2017/384, m.nt. Jac. Hijma (CIA/Heredium), r.o. 4.5. Zie ook Wolters, Opschortingsrechten (Mon. BW nr. B32b) 2022/78 en Asser/Sieburgh 6-I 2020/287. Zie voorts bijv. Rb. Gelderland 21 juli 2021 ECLI:NL:RBGEL:2021:3943, r.o. 4.24 (“Dit komt voor risico van [gedaagde in conventie/eiser in reconventie] omdat hij zich op opschorting beroept.”) en Rb. Rotterdam 11 januari 2017, ECLI:NL:RBROT:2017:1099, r.o. 2.8.1 (“Het gebruik maken van een veronderstelde opschortingsbevoegdheid komt, als (en voor zover) dat achteraf onterecht blijkt te zijn voor risico van de opschortende partij.”). Zie over het contractueel mogen afwijken van de rechtsgevolgen van het algemene opschortingsrecht ook § 2.6.
Zie over de rechtsgevolgen van een ongegrond beroep op het algemene opschortingsrecht ook Wolters, Opschortingsrechten (Mon. BW nr. B32b) 2022/78-79; Asser/Sieburgh 6-I 2020/287; Asser/Hijma 7-I 2019/563 en Heilbron, Retentierecht en uitwinning (O&R nr. 110) 2019/54.
HR 21 september 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA9610, NJ 2009, 50, m.nt. Jac. Hijma (Ammerlaan/Enthoven), r.o. 4.6. Zie ook HR 4 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2517, NJ 2017/384, m.nt. Jac. Hijma (CIA/Heredium), r.o. 4.2; HR 17 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:95, NJ 2014/236, m.nt. T.F.E. Tjong Tjin Tai (Kenter/Slierings), r.o. 3.5; HR 3 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU4907, NJ 2012/91 (Euretco/Naeije), r.o. 3.5.4 en bijv. Hof Arnhem-Leeuwarden 17 januari 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:281, r.o. 3.30; Rb. Rotterdam 15 maart 2023, ECLI:NL:RBROT:2023:2155, r.o. 4.27; Rb. Overijssel 2 februari 2022, ECLI:NL:RBOVE:2022:363, r.o. 4.44 en Rb. Limburg 16 oktober 2019, ECLI:NL:RBLIM:2019:9165, r.o. 2.31.
Hijma 2017a, par. 3.
HR 21 september 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA9610, NJ 2009, 50, m.nt. Jac. Hijma (Ammerlaan/Enthoven), r.o. 4.6.
Terecht hebben Dammingh & Klomp 2014, p. 33, opgemerkt dat het van wijs beleid getuigt als de advocaat de cliënt wijst op de risico’s die verbonden zijn aan een beroep op een opschortingsrecht. Zie voor een ontbindingsvoorbeeld Rb. Amsterdam 6 juli 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:8070, r.o. 4.8.
Het beroep op het algemene opschortingsrecht komt in beginsel voor eigen risico van de schuldenaar, tenzij partijen bijvoorbeeld anders zijn overeengekomen.1 Een ongegrond beroep op artikel 6:52 lid 1 BW impliceert dat de schuldenaar ten onrechte aan zijn wederpartij de nakoming van zijn opeisbare verbintenis heeft onthouden.2 Een achteraf geheel of gedeeltelijk ongegrond gebleken beroep op opschorting brengt mee dat degene die dit beroep deed, terstond als schuldenaar zonder ingebrekestelling in verzuim kwam te verkeren op grond van artikel 6:83 aanhef en onderdeel c BW.3 Hijma heeft daarover treffend opgemerkt dat ‘[d]e onterechte opschortingsverklaring (…) rechtens dus ineen[schrompelt] tot de dorre melding dat betrokkene niet zal presteren, zodat krachtens art. 6:83 aanhef en onder c BW voor het intreden van zijn verzuim geen ingebrekestelling meer nodig is’.4 Aldus schiet de schuldenaar tekort in de nakoming van zijn verbintenis. Daarom is hij gehouden zijn wederpartij de schade te vergoeden die zij heeft geleden als gevolg van het uitblijven van de nakoming van zijn verbintenis (art. 6:74 BW).5 Voor zover de verbintenissen over en weer voortvloeien uit een overeenkomst, is de wederpartij tevens ontbindingsbevoegd en is de schuldenaar verplicht eventuele ontbindingsschade te vergoeden (art. 6:265 jo. 6:277 BW).6 De wederpartij kan in verband met de niet-nakoming van de schuldenaar opschortingsbevoegd zijn op grond van artikel 6:52 BW.