Einde inhoudsopgave
Stille getuigen 2015/5.3.2.2.5.1
5.3.2.2.5.1 Ondervraging is absoluut onmogelijk
Mr. B. de Wilde, datum 01-01-2015
- Datum
01-01-2015
- Auteur
Mr. B. de Wilde
- Vakgebied(en)
Internationaal publiekrecht / Mensenrechten
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
Zie daarover ook artikel 8 Europees Rechtshulpverdrag: ‘De getuige (...) die geen gevolg heeft gegeven aan een dagvaarding waarvan toezending is gevraagd, kan aan geen enkele sanctie of dwangmaatregel worden onderworpen, zelfs niet indien in de dagvaarding een verplichting om te verschijnen is vermeld’.
In HR 30 juni 2009, NJ 2009, 481 klaagde de verdediging erover dat de wettige dwangmiddelen, al dan niet via internationale rechtshulp, hadden moeten worden toegepast. AG Machielse merkte op dat hij geen idee had welke wettige dwangmiddelen dan wel beschikbaar waren om de getuige aan het praten te krijgen. In HR 20 december 1994, NJ 1995, 264 had het hof geconstateerd dat de getuige kennelijk onwillig was om te worden gehoord. De Hoge Raad vond dat oordeel niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat Nederland en Cyprus geen rechtshulpverdrag met elkaar hadden.
HR 30 juni 2009, NJ 2009, 481; HR 21 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH7291; HR 15 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB9862; HR 12 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA2570; HR 31 januari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU3446 (getuigen in Engels getuigenbeschermingsprogramma); HR 17 november 1992, NJ 1993, 274.
Zie daarover § 3.3.3.2.
In HR 12 september 2006, NS 2006, 392 beweerde de getuige dat zij haar reispapieren was kwijtgeraakt en het haar niet was gelukt om nieuwe reispapieren te krijgen van de Marokkaanse autoriteiten.
HR 18 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU8070. AG Knigge meende daarentegen dat niet was gebleken dat de getuige de in het Nederlands opgestelde oproeping begreep en dat uit het enkele toesturen van de originele verklaring niet mocht worden afgeleid dat de getuige niet bereid was te verschijnen. Vgl. ook HR 18 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU8103. De in Spanje wonende getuige reageerde niet op oproepingen per brief en fax, maar beantwoordde wel vragen van de verdediging per fax. In HR 13 januari 1981, NJ 1981, 79 kon worden aangenomen dat een in Frankrijk wonende getuige de oproeping had ontvangen, aangezien deze niet als onbezorgbaar was geretourneerd. Omdat zij daaraan geen gevolg had gegeven, was het oordeel van de rechtbank dat herhaalde oproeping van de getuige nutteloos was in de ogen van de Hoge Raad niet onbegrijpelijk.
HR 20 december 1994, NJ 1995, 264, r.o. 6.3.
HR 28 september 2004, NJ 2004, 629. AG Vellinga wees er nog op dat de getuige tijdens het eerste verhoor geen raadsman had en had aangegeven mogelijk wel bereid te zijn te verklaren als hij die wel zou hebben. Ook stelde hij vast dat de getuigenverklaring van cruciaal belang was voor het bewijs van de betrokkenheid van de verdachte.
HR 23 juni 1953, NJ 1953, 608.
De getuige weigert medewerking
Wanneer een zich in het buitenland bevindende getuige niet bereid is om te worden gehoord, kan hij door de Nederlandse autoriteiten niet worden gedwongen in Nederland te verschijnen.1 Een bevel tot medebrenging zal niet ten uitvoer kunnen worden gelegd in het buitenland, omdat Nederland geen dwangmiddelen kan toepassen op buitenlands territorium.2 Pogingen om de getuige via een rogatoire commissie te ondervragen, zijn eveneens gedoemd temislukken bij het ontbreken van bereidwilligheid van de getuige om te worden ondervraagd. Dit betekent dat de mogelijkheden voor Nederland om een weigerachtige getuige te ondervragen, nihil zijn. De Hoge Raad vindt in dit soort gevallen dan ook al snel dat niet te verwachten valt dat de getuige binnen aanvaardbare termijn zal verschijnen.3 Wanneer een getuige geen reis- en verblijfkosten wilmaken en om die reden niet wenst mee te werken, zou zijn bereidwilligheid kunnen toenemen wanneer hij die kosten vergoed krijgt.4
Een praktische belemmering om naar Nederland te mogen reizen kan zijn dat de getuige geen paspoort heeft.5 In zo’n geval zal verschijning in Nederland weliswaar praktisch onmogelijk zijn, maar zal ondervraging soms desalniettemin mogelijk zijn, bijvoorbeeld door een verhoor via een videoverbinding te organiseren of een rogatoire commissie op pad te sturen.
De getuige wordt verondersteld niet mee te willen werken
Soms verklaart een getuige niet uitdrukkelijk dat hij niet bereid is te verschijnen, maar kan dat uit bepaalde feiten en omstandigheden redelijkerwijs wel worden opgemaakt. In één zaak was een dagvaarding naar een adres in Jamaica gestuurd. De getuige had daaraan geen gevolg gegeven. Wel had hij op verzoek van de verdediging zijn originele verklaring toegestuurd. Op deze verklaring stond het adres waaraan ook de oproeping was gestuurd. Het gerechtshof concludeerde dat de getuige kennelijk niet van plan was vrijwillig naar Nederland te komen. De Hoge Raad vond dat oordeel niet onbegrijpelijk.6 In NJ 1995, 264 had de advocaat van de getuige, die in Cyprus woonde, aangegeven dat hij niet kon zeggen wanneer hij naar Nederland zou kunnen komen en evenmin wanneer hij in Cyprus zou zijn. Hij was vaak op zakenreis en moest voor de medische behandeling van zijn vrouw naar het buitenland. Het gerechtshof oordeelde dat de getuige onwillig was te verklaren. Dat oordeel achtte de Hoge Raad niet onbegrijpelijk.7 Uit NJ 2004, 629 blijkt dat uit eerdere onbereidwilligheid om te verklaren niet zonder meer mag worden opgemaakt dat de getuige bij een nieuw getuigenverhoor eveneens zijn medewerking zal weigeren. Een getuige, een medeverdachte, had geen verklaring willen afleggen tijdens een verhoor door een rogatoire commissie in Engeland. Door de raadsman van de verdachte was aangevoerd dat ten tijde van dat verhoor de strafzaak tegen de medeverdachte zelf nog liep en de getuige op advies van zijn raadsman had gezwegen. Toen het gerechtshof een nieuw getuigenverzoek afwees, op een tijdstip waarop de strafzaak tegen de medeverdachte was afgelopen, had het, tegen de achtergrond van het door de raadsman gestelde, moeten onderzoeken of de medeverdachte nog steeds niet bereid zou zijn om te verklaren, aldus de Hoge Raad.8
De getuige is onregelmatig in Nederland
In NJ 1953, 608 was een verzoek gedaan om een getuige hernieuwd op te roepen. De rechtbank had dit verzoek afgewezen, omdat de getuige een scheepsarts was, die sporadisch en op ongeregelde tijden in Nederland was. Een hernieuwde oproeping zou daarom nutteloos zijn. De Hoge Raad verwierp het tegen deze beslissing ingestelde cassatiemiddel.9 Tegenwoordig zou in een dergelijk geval een verhoor via een videoverbinding kunnen worden georganiseerd.