De meerwaarde van meervoud
Einde inhoudsopgave
De meerwaarde van meervoud (SteR nr. 48) 2019/7.9:7.9 Conclusie
De meerwaarde van meervoud (SteR nr. 48) 2019/7.9
7.9 Conclusie
Documentgegevens:
mr. drs. R. Baas, datum 24-12-2019
- Datum
24-12-2019
- Auteur
mr. drs. R. Baas
- JCDI
JCDI:ADS174178:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Rechtspraak
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De zoektocht naar de beslissing die de individuele rechter aflegt, begint met het lezen van het dossier. De rechter vormt zich een globaal beeld van de zaak en inventariseert intussen de regels en jurisprudentie die op de zaak van toepassing lijken te zijn. Hij vormt zich een intuïtief oordeel, dat door de zitting versterkt dan wel herzien wordt. Al lezend en luisterend krijgt hij een idee welke kant de zaak opgaat. Daarmee is de beslissing nog niet gegeven. De zoektocht moet tevens naar argumenten leiden waarmee hij de beslissing kan onderbouwen. Dit proces verloopt niet lineair. Zo kan hij door te redeneren conclusies trekken die leiden tot een (nog denkbeeldige) beslissing, maar hij kan ook het omgekeerde doen. Soms heeft de rechter op basis van zijn intuïtie een denkbeeldige beslissing voor ogen waar argumenten bij worden gezocht die daarvoor een stevig fundament moeten vormen. Als die er onvoldoende zijn, dan houdt de voorlopige beslissing geen stand. Rechterlijke oordeelsvorming is aldus een proces van heuristiek en legitimatie waartussen een voortdurende wisselwerking bestaat. Pas zodra het intuïtieve oordeel van de rechter overeenkomt met het oordeel dat hij heeft ontwikkeld door relevant schijnende regels op relevant geachte feiten toe te passen, neemt hij de beslissing.
Uit dit onderzoek blijkt dat het model van heuristiek en legitimatie ook inzicht biedt in de wijze waarop een meervoudig genomen beslissing tot stand komt. De behandeling door meerdere rechters onderscheidt zich door de beraadslagingen, waarbij de leden van de meervoudige kamer hun individuele oordelen met elkaar delen en bediscussiëren, en de gezamenlijk te nemen beslissing. Ook hier verloopt de zoektocht naar de beslissing via een proces waarin heuristiek en legitimatie elkaar afwisselen. Uit de overleggen en interviews bleek dat de rechters al lezend, denkend, luisterend en pratend kennis deelden en ideeën ontwikkelden over de richting waarin de beslissing moest worden gezocht. Ze inventariseerden en selecteerden feiten en rechtsregels, brachten argumenten naar voren, maakten afwegingen, bouwden voort op elkaars inzichten en trokken conclusies waar ze ook weer op terug konden komen. Hiermee onderscheidt behandeling door een college van rechters zich in positieve zin van behandeling door een unus. Deze vruchtbare manier van werken is mede te danken aan de open sfeer van de bespreking, waarin de rechters in beslotenheid op zoek zijn gegaan naar de juiste beslissing en de motivering die haar kan dragen.
Maar bovenal heeft meervoudige behandeling meerwaarde als zij wordt gebruikt voor tegenspraak. Daarbij gaat het niet louter om uitwisseling van zienswijzen, maar spannen de deelnemers zich in om het denken te scherpen. Dat gebeurt door te trachten eigen en andermans argumenten te weerleggen. Uiteindelijk leidt dit tot een beter eindresultaat, wat wil zeggen dat de werkelijkheid beter wordt gekend of doorgrond en het recht op juiste wijze wordt toegepast. De waargenomen tegenspraak volgde noch uit een rolverdeling in de raadkamer, noch uit nadrukkelijke omvraag bij de deelnemers om hun oordeel te geven – die kwamen niet respectievelijk nauwelijks voor – maar vooral uit de instelling en houding van de deelnemers aan het raadkameroverleg. Zij zijn getraind en gericht op het nemen van een beslissing die pas genomen wordt na discussie. Niettemin rijst door de bescheiden bijdrage van sommige rechters het idee dat meervoudige behandeling niet altijd ten volle wordt benut en tegenspraak soms weinig voorkomt. Daar kan wat aan worden gedaan door in opleiding en training erop te blijven wijzen dat in de rechtspraak een kritische geest alsook durf om te twijfelen aan het eigen standpunt en dat van anderen is vereist. Ook is het effectief om tegenspraak meer doelbewust te organiseren. Hoofdelijke omvraag is een geschikte manier om het oordeel van alle deelnemers te horen, zeker bij leden van de raadkamer die zich minder nadrukkelijk profileren dan wel zich gemakkelijk achter het oordeel van anderen scharen. Tegenspraak kan ook worden georganiseerd door een lid van de meervoudige kamer de taak te geven de dominante zienswijze gemotiveerd te weerspreken of, zoals in de Hoge Raad wel gebeurt als standpunten ver uit elkaar liggen, door twee verschillende conceptuitspraken te schrijven.
Overigens kan de gedachte opkomen dat er een paradox schuilt in de constatering dat de meerwaarde van meervoudige behandeling in belangrijke mate is gebaseerd op tegenspraak en dat het streven in de raadkamer tevens gericht is op consensus en dat beslissingen zelden worden afgedwongen door stemming. Deze paradox kan worden verklaard door de discussie van de beslissing te onderscheiden. Zolang er wordt beraadslaagd, is tegenspraak geboden. Zodra de raadkamerdeelnemers het erover eens zijn dat er geen behoorlijke munitie meer is om de voorgenomen beslissing en onderbouwing te attaqueren, kan vonnis worden gewezen. Als een van de rechters ook na ampel beraad niet in kan stemmen met de beoordeling van zijn collega’s, dan is het onder rechters praktijk om het vonnis zo in te kleden dat ook de andersdenkende rechter zich daarin kan vinden. In de geobserveerde overleggen kwam stemming dan ook niet voor, net zomin als een situatie waarin de rechters bijzonder smal moesten motiveren om een dissident binnenboord te houden.