Einde inhoudsopgave
De grenzen van het recht op nakoming (R&P nr. 167) 2008/6.3.6.2
6.3.6.2 Het vertrouwensbeginsel
mr. D. Haas, datum 02-12-2008
- Datum
02-12-2008
- Auteur
mr. D. Haas
- JCDI
JCDI:ADS376346:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Bakels heeft de term 'redelijk alternatief' geïntroduceerd om vorm te geven aan zijn voorstel de ontbindingsbevoegdheid van de schuldeiser te beperken tot de situatie dat het schuldeisersbelang met de inzet van een andere remedie niet voldoende zou zijn gediend, zie Bakels 1993, p. 260 e.v.
Vgl. Smits 1995, p. 120.
Vgl. Bakels 1993, p. 20-21 in het kader van ontbinding; en Yorio 1982, p. 1372 over nakoming. In een andere betekenis onderscheidt Nieuwenhuis ook een positieve en een negatieve variant van het vertrouwensbeginsel, zie Nieuwenhuis 1979, p. 67.
Bij de beoordeling van de compenserende kracht van schadevergoeding gaat het om een serieus belang van de schuldeiser bij nakoming in plaats van schadevergoeding, niet bijv. een nakomingsvordering die is ingegeven door rancune of irritatie, vgl. Yorio 1982, p. 1373.
Een schuldenaar kan zich in mijn systeem met succes tegen een vordering tot nakoming verweren door zich erop te beroepen dat de kosten van nakoming meer dan 130% van het geobjectiveerde schuldeisersbelang bedragen. De schuldeiser kan in dat geval niets anders doen dan zich op een alternatieve remedie beroepen, zoals het vorderen van schadevergoeding of prijsvermindering. Wat is nu de positie van de schuldeiser als deze remedies hem niet ter beschikking staan, omdat aan de daartoe geldende vereisten niet is voldaan? En wat kan de schuldeiser doen als deze remedies de schuldeiser wel ter beschikking bestaan, maar onvoldoende soelaas bieden, omdat zij bijvoorbeeld het nadeel dat de schuldeiser door de niet-nakoming lijdt onvoldoende compenseren? In deze gevallen dient een uitzondering te worden aangenomen op de hoofdregel dat de schuldenaar van zijn nakomingsverplichting is ontslagen als de nakomingskosten meer dan 130% van het schuldeisersbelang bedragen. Deze uitzondering duid ik aan als de uitzondering van het ontbreken van een redelijk alternatief van nakoming.
Het gezichtspunt van het ontbreken van een redelijk alternatief vormt een correctie op de hoofdregel dat een schuldenaar niet hoeft na te komen indien de daarmee gemoeide kosten meer dan 130% van het geobjectiveerde schuldeisersbelang bedragen. Het redelijk alternatief, of beter gezegd het ontbreken van een redelijk alternatief, verruimt de grenzen van nakoming. Een verhoging van de nakomingskosten boven de 130% is geïndiceerd, indien geen redelijk alternatief voor nakoming aanwezig is waarmee de schuldeiser zijn contractsdoel kan realiseren.1
De uitzondering van het ontbreken van een redelijk alternatief kan als een uitwerking van het vertrouwensbeginsel worden beschouwd. Het vertrouwensbeginsel dient in de fase van de niet-nakoming twee tegengestelde doelen. Enerzijds strekt het beginsel ter bescherming van het vertrouwen van de schuldeiser zijn contractsdoel te realiseren, de positieve variant.2 Anderzijds beschermt het beginsel het vertrouwen van de schuldenaar dat hij op een voor hem zo min mogelijk belastende manier tegemoet kan komen aan dit schuldeisersbelang, de negatieve variant.3 De negatieve variant van het vertrouwensbeginsel wordt doorbroken door de 130%-regel die ertoe strekt het primaat van nakoming veilig te stellen. Indien namelijk de nakomingskosten lager zijn dan 130% van het geobjectiveerde schuldeisersbelang, moet de schuldenaar in beginsel nakomen ongeacht een eventueel redelijk alternatief voor nakoming. Als de nakomingskosten de 130%-grens overschrijden, is de schuldenaar evenwel in beginsel ontslagen van zijn nakomingsverplichting en kan hij een andere remedie inroepen. Indien het aangeboden alternatief voor nakoming de schuldeiser echter onvoldoende compenseert, leidt de positieve variant van het vertrouwensbeginsel ertoe dat de schuldeiser zijn recht op nakoming behoudt.
Of de schuldenaar zich met succes op de 130%-richtlijn kan beroepen als verweer tegen een vordering tot nakoming is dus afhankelijk van de vraag of de schuldeiser zijn (subjectieve) contractsdoel kan realiseren met een alternatief voor nakoming.
Het alternatief voor nakoming zal veelal bestaan uit een recht op schadevergoeding, maar dat hoeft niet altijd het geval te zijn. Ook andere alternatieven kunnen redelijke alternatieven voor nakoming zijn, zoals ontbinding of prijsvermindering. De volgende twee paragrafen gaan over de vraag wanneer schadevergoeding al dan geen redelijk alternatief is voor nakoming.4