Instellingen voor collectieve belegging in effecten
Einde inhoudsopgave
Instellingen voor collectieve belegging in effecten (O&R nr. 119) 2020/5.2.6:5.2.6 Nauwe banden
Instellingen voor collectieve belegging in effecten (O&R nr. 119) 2020/5.2.6
5.2.6 Nauwe banden
Documentgegevens:
mr. drs. J.E. de Klerk , datum 01-02-2020
- Datum
01-02-2020
- Auteur
mr. drs. J.E. de Klerk
- JCDI
JCDI:ADS193774:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Financieel toezicht (juridisch)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Art. 7 lid 2 eerste alinea Icbe-Richtlijn.
Art. 7 lid 2 tweede alinea Icbe-Richtlijn.
Overweging 1.2 94/C52/05.
Art. 5 bis Icbe-Richtlijn IIIA.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Naast de bepalingen over gekwalificeerde deelnemingen is ook vereist dat ‘nauwe banden’ tussen de beheerder en andere natuurlijke of rechtspersonen de juiste uitoefening van het toezicht door de toezichthouder niet belemmeren.1 Als dat het geval is, mag de vergunning niet worden verleend. Dat mag ook niet indien de wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen van een derde land die van toepassing zijn op een persoon met wie de beheerder nauwe banden heeft, een belemmering vormen voor de juiste uitoefening van de toezichthoudende taken.2
Het begrip ‘nauwe banden’ werd geïntroduceerd in de zogenoemde BBCI-Richtlijn.3 BBCI verwijst naar Bank for Credit and Commerce International, een bank die in de jaren 80 en 90 in opspraak raakte vanwege fraude.4 Naar deze fraude werden diverse onderzoeken uitgevoerd, waaronder door het Raadgevend Comité voor het Bankwezen van de EG. Een van de aanbevelingen was om het toezicht sterker te maken, met name wanneer financiële ondernemingen deel uitmaken van een groep. In dat geval moet de groepsstructuur voldoende doorzichtig zijn om behoorlijk toezicht mogelijk te maken. Als gevolg daarvan werden de bepalingen over ‘nauwe banden’ toegevoegd aan de Richtlijnen inzake kredietinstellingen, het schadeverzekeringsbedrijf, het levensverzekeringsbedrijf en beleggingsondernemingen.5 Met de komst van de Icbe-Richtlijn IIIA werden de bepalingen ook van toepassing op beheerders.6
Het begrip ‘nauwe banden’ is gedefinieerd als de situatie waarbij twee of meer natuurlijke personen of rechtspersonen verbonden zijn door ofwel (a) het rechtstreeks of door middel van een zeggenschapsband in bezit hebben van ten minste 20% van de stemrechten in of het kapitaal van een onderneming, of (b) een zeggenschapsband. Hiervan is eveneens sprake als de relatie gelijk is aan die tussen een moederonderneming en een dochteronderneming, bepaald overeenkomstig de criteria vermeld in artikel 22 Jaarrekening Richtlijn.
Deze vereisten zijn in alle drie de lidstaten Richtlijnconform geïmplementeerd.7 De bepalingen over nauwe banden komen in veel sectorale Europese Richtlijnen voor.8