Einde inhoudsopgave
25 jaar Awb in eenheid en verscheidenheid 2019/11.6
11.6 Ongelijkheidscompensatie verkommerd
prof. mr. L. Damen, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
prof. mr. L. Damen
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
L.J.A. Damen, ‘Rechtsvorming door de bestuursrechter onder de Awb’, in: F.A.M. Stroink e.a. (red.), Vijf jaar JB en Awb, Den Haag: Sdu 1999, p. 9-37.
A.G. van Galen, H.Th.J.F. van Maarseveen, Beginselen van administratief procesrecht, (VAR-geschrift LXXXII), Alphen aan den Rijn: Samsom H.D. Tjeenk Willink 1978, p. 35.
Zie A. Mallan, Lekenbescherming in het bestuursprocesrecht, Nijmegen: WLP 2014.
Bestuur in geding, rapport van de werkgroep inzake de juridisering van het openbaar bestuur, Haarlem november 1997, kritisch besproken in L.J.A. Damen, ‘Van rechtsstaat naar rechtersstaat? De bestuursrechter onder vuur’, Trema 1998, p. 241-249.
Zie L.J.A. Damen, ‘Helpt de Centrale Raad van Beroep Jan Splinter door de bestuursrechtelijke winter?’, in: R.M. van Male e.a. (red.), Centrale Raad van Beroep 1903-2003, Den Haag: Sdu 2003, p. 243-260; idem, ‘Juridische kwaliteit: de burger centraal’, in: M. Herweijer e.a. (red.), Alles in één keer goed, Deventer: Kluwer 2005, p. 13-32; idem, ‘The long and winding road’, in: A.W. Heringa e.a. (red.), Het bestuursrecht beschermd, Den Haag: Sdu 2006, p. 85-97; idem, ‘Is de burger beter af onder het socialezekerheidsrecht van 2006 dan onder dat van 1993?’, in: M. Herweijer e.a. (red.), Sociale zekerheid voor het oog van de meester, Deventer: Kluwer 2006, p. 261-278; idem, ‘Public administration: “At your service!”’, in: K.J. de Graaf e.a.. (red.), Quality of Decision-Making in Public Law, Groningen: ELP 2007, p. 151-167; idem, ‘Interventie over digitaal burgerbeeld’, in: De digitale overheid (VAR-reeks 147), Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2012, p. 65-66; idem, ‘Hoe staat de burger er voor in het bestuurs(proces)recht van 2014?’, in: R.J.N. Schlössels & C.L.G.F.H. Albers (red.), Symposium 20 jaar “JB”, Den Haag: Sdu 2014, p. 31-52; idem, ‘Een informatieplicht voor dienende bestuursorganen, een hintplicht voor dienende bestuursrechters?’, in: A.T. Marseille e.a. (red.), Behoorlijk bestuursprocesrecht, Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2015, p. 421-446; idem, ‘Welke rol speelt het vertrouwensbeginsel bij de handhaving van het bestuursrecht?’, in: H.D. Tolsma & P. de Winter (red.), De wisselwerking tussen recht en vertrouwen bij toezicht en handhaving, Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2017, p. 19-38 ; idem, ‘De autonome Awbmens?’, AA 20170628; idem, ‘Het menselijk tekort tegenover de (gedigitaliseerde) overheidsbureaucratie’, in: R.J.N. Schlössels e.a. (red.), In het nu…. Over toekomstig bestuursrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2018.
Op een bijeenkomst in 1999 over vijf jaar Awb ben ik ingegaan op het thema ongelijkheidscompensatie dan wel gelijkwaardigheid tussen behartigers van het algemene en van het individuele belang.1 Het concept van de ongelijkheidscompensatie is veel ouder dan dat van de wederkerige en horizontale rechtsbetrekking. In hun klassieke preadvies voor de VAR uit 1978 hebben Van Galen en Van Maarseveen daarover geschreven:
‘Het beginsel van ongelijkheidscompensatie is een tere plant in de tuin van het administratief procesrecht. Hoezeer ook allerlei wettelijke voorschriften het plantje ondersteunen, het sterft gauw af in een maatschappelijke omgeving die sterk door ongelijkheden wordt beheerst. Er is als het ware een ingebouwde stimulans om het maar te laten verkommeren. De tuinman van het administratief procesrecht blijkt het bij zijn drukke bezigheden nog wel eens over het hoofd te zien. Dat is jammer. Want het is wel zo ongeveer het mooiste dat het administratief procesrecht heeft opgeleverd.’2
Het plantje van de ongelijkheidscompensatie is in de eenentwintigste eeuw verder verkommerd.3 Dominant werd de beleidstheorie van het bestuursproces niet als een objectief geding waarin de bestuursrechter Jan Splinter door de winter en aan zijn recht helpt, maar als een subjectief partijengeding waarin de gewone burger wordt geacht tijdig zijn eigen boontjes te kunnen doppen.
In de afgelopen 25 jaar, met – achteraf gezien – als kantelpunt in 1997 het rapport van de werkgroep Van Kemenade,4 is onder de Awb het bestuurs(proces)recht extreem formalistisch, bestuursvriendelijk en burgervijandig geworden.5
Er worden steeds hogere juridische eisen gesteld aan het (proces)gedrag van de gewone burger, en steeds lagere eisen aan de juridische kwaliteit van de besluitvorming en het procesgedrag van het openbaar bestuur. Het openbaar bestuur mag ook bijna eindeloos herkansen. Dat is bepaald geen incentive voor meer (juridische) kwaliteit.