Einde inhoudsopgave
Onafhankelijkheid van de rechter (SteR nr. 3) 2011/3.8.1
3.8.1 Inleiding
mr. dr. P.M. van den Eijnden, datum 01-10-2010
- Datum
01-10-2010
- Auteur
mr. dr. P.M. van den Eijnden
- JCDI
JCDI:ADS496152:1
- Vakgebied(en)
Juridische beroepen / Rechter
Staatsrecht / Rechtspraak
Voetnoten
Voetnoten
Zie C.A.J.M. Kortmann, ‘Straatsburg en de Raad van State; een eerste impressie’, NJB 1995, p. 1366.
Zie ook M. de Werd, ‘Tobben met de rechtsstaat. Rechterlijke onafhankelijkheid en onpartijdigheid na ‚Procola‛’, NJB 1996, p. 236. Partijdigheid van een lid van een rechterlijke instantie betekent in formeel opzicht partijdigheid van de rechterlijke instantie (dat is immers waarop artikel 6 EVRM ziet).
Zie ook P. van Dijk, ‘De objectieve onpartijdigheid van de rechter’, NJB 1997, p. 1213.
Piersack, EHRM 1 oktober 1982, Serie A, 53, § 30. Sindsdien vaste jurisprudentie.
G.W. t. het Verenigd Koninkrijk, EHRM 15 juni 2004, appl. no. 34155/96, resp. § 45 en 47.
Whitfield e.a., EHRM 12 april 2005, appl. no. 46387/99 e.a., EHRC 2005/51, § 44.
Tot nu toe ben ik er niet aan ontkomen om naast de onafhankelijkheid ook de onpartijdigheid vaak te noemen. Dat is het gevolg van de (te) nauwe verwevenheid tussen beide begrippen in de Straatsburgse jurisprudentie. In deze paragraaf gaat de aandacht specifiek uit naar hun onderlinge relatie. De verwarring tussen onafhankelijkheid en onpartijdigheid speelt vooral in zaken waar het gaat over de samenstelling van een rechterlijke instantie. Het Hof spreekt dan dikwijls over een gebrek aan ‘objectieve’ of ‘structurele’ onpartijdigheid van het gerecht, maar ook over de ‘onafhankelijkheid van partijen’. Er is in Straatsburg vooral geklaagd over de samenstelling van allerlei bijzondere rechterlijke instanties die niet behoren tot de gewone rechterlijke organisatie van een lidstaat, zoals administratiefrechtelijke instanties, tuchtgerechten en andere disciplinaire beroepsinstanties. Daarbij is bovendien vaak sprake van enige vorm van arbitrage, leken- of juryrechtspraak. Op dit gebied gebruikt het Hof de begrippen ‘rechterlijke instantie’, ‘onafhankelijkheid’ en ‘onpartijdigheid’ het meest dooreen. Waar gaat het bij een twijfelachtige samenstelling van een rechterlijke instantie nu in feite om? Onafhankelijkheid, onpartijdigheid, of beide? Men kan zich overigens afvragen of het überhaupt mogelijk is van onpartijdigheid van een instantie te spreken?1 Hoe dit ook zij, het Hof brengt onder het begrip onpartijdigheid in de zin van artikel 6 EVRM zowel de onpartijdigheid van de persoon van de rechter, als de onpartijdigheid van de rechterlijke instantie als geheel.2
Begripsmatig begint het af en toe te duizelen bij lezing van de arresten van het Hof. Het begrip ‘objectieve onpartijdigheid’ kan enerzijds worden gezet tegenover ‘subjectieve onpartijdigheid’, anderzijds tegenover onafhankelijkheid.3 Onafhankelijkheid kan op dezelfde wijze worden gesplitst in objectieve onafhankelijkheid en subjectieve onafhankelijkheid. Hoewel het Hof tot voor kort die termen zelf niet gebruikte, zoals het sinds lange tijd wel doet ten aanzien van de onpartijdigheid,4 komt de jurisprudentie daar inhoudelijk gezien op neer. Vrij recent heeft het Hof nieuwe termen geïntroduceerd die dat bevestigen. In de zaak G.W. t. het Verenigd Koninkrijk spreekt het EHRM over ‘structural independence and impartiality’ en over ‘objective independence and impartiality’.5 Een jaar later worden in de zaak Whitfield bovendien de termen onafhankelijkheid en onpartijdigheid optisch (niet inhoudelijk) uit elkaar getrokken: ‘Since the concepts of structural independence and objective impartiality are closely linked, the Court will consider them together in the present case.’ (curs. PvdE).6 Subjectieve onafhankelijkheid ziet op de vraag of het gerecht daadwerkelijk onafhankelijk is, objectieve onafhankelijkheid ziet op de vraag of het gerecht ook bij de gemiddelde burger de indruk wekt onafhankelijk te zijn (of negatief geformuleerd: geen schijn van afhankelijkheid oproept). Subjectieve onpartijdigheid ziet op de vraag of het gerecht daadwerkelijk onpartijdig is (en wordt verondersteld totdat het tegendeel bewezen is), objectieve onpartijdigheid ziet op de vraag of het gerecht ook bij de gemiddelde burger de indruk wekt onpartijdig te zijn (of negatief geformuleerd: geen schijn van partijdigheid oproept). Zowel bij de onafhankelijkheid als bij de onpartijdigheid kan het blijkens de jurisprudentie gaan om de positie van een of meer leden van het gerecht (ambtsdrager), of de positie van het gerecht als instantie in zijn geheel (ambt).