Einde inhoudsopgave
RvdW 2026/62
1. Klacht gericht tegen beslissing in met deze ontnemingszaak samenhangende strafzaak kan niet gelden als cassatiemiddel, want gaat niet over bestreden uitspraak. 2. Onjuist oordeel hof dat betrokkene en [medeverdachte] B.V. moeten worden vereenzelvigd voor toerekening wederrechtelijk verkregen vermogen van [medeverdachte] B.V. aan betrokkene.
HR 02-12-2025, ECLI:NL:HR:2025:1818
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
2 december 2025
- Magistraten
Mrs. V. van den Brink, T. Kooijmans, F. Damsteegt
- Zaaknummer
23/03756 P
- Conclusie
A-G mr. D.J.C. Aben
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Rechtsmiddelen
Materieel strafrecht / Sancties
Materieel strafrecht / Algemeen
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2025:1818, Uitspraak, Hoge Raad, 02‑12‑2025
ECLI:NL:PHR:2025:1101, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 14‑10‑2025
Beroepschrift, Hoge Raad, 02‑10‑2024
- Wetingang
Essentie
1. De klacht is gericht tegen de beslissing in de met deze ontnemingszaak samenhangende strafzaak. Als cassatiemiddel kan alleen gelden een stellige en duidelijke klacht over de bestreden uitspraak — hier: in de ontnemingszaak — heeft gewezen. De klacht voldoet niet aan dit vereiste zodat zij onbesproken moet blijven.
2. Voor zover in het oordeel van het hof besloten ligt dat de betrokkene en [medeverdachte] B.V. moeten worden vereenzelvigd — in die zin dat het identiteitsverschil tussen die beide (rechts)personen volledig moet worden weggedacht — geeft dit oordeel blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Voor zover het hof op ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.