Einde inhoudsopgave
De meerwaarde van meervoud (SteR nr. 48) 2019/11.1.3
11.1.3 Analysemodel
mr. drs. R. Baas, datum 24-12-2019
- Datum
24-12-2019
- Auteur
mr. drs. R. Baas
- JCDI
JCDI:ADS174193:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Rechtspraak
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijvoorbeeld Kortmann 2008.
Zie bijvoorbeeld De Groot-van Leeuwen 1999, p. 42-44. Zie over rechtsvinding op diverse rechtsterreinen: De Groot-van Leeuwen & Den Tonkelaar 2012.
Wel komt het zo nu en dan voor dat de (met name hogere) rechter zijn uitspraak motiveert op een wijze die eerder aan rechtsvorming dan aan rechtsvinding doet denken. Over de toelaatbaarheid hiervan lopen de opvattingen uiteen. Zo vindt Kortmann rechtsvorming door de rechter ongeoorloofd (Kortmann 2008, 2009) en ziet Vranken dat als onontkoombaar (Vranken 2000).
De genoemde interpretatiemethoden zijn de methoden die in het algemeen het vaakst worden toegepast. Zie voor een uitgebreid overzicht: Hage 2009, p. 377-401.
Zo is in extenso wel gebeurd door de Toetsingscommissie Civiele Vonnissen (Commissie Neleman) en de commissie Pilot Kwaliteitstoetsing Civiele vonnissen De Bock & Van Harinxma thoe Slooten 2012; Neleman & Neijt 2011).
HR 4 juni 1993, NJ 1993, 659, r.o. 3.4.7 (Vredo/Veenhuis). De motiveringsplicht is onder andere vastgelegd in artikel 121 Grondwet en artikel 230, eerste lid sub e, jo. artikel 30 Rv.
De Bock e.a. 2015, p. 45. Zie ook Den Tonkelaar & Tromp 2014, p. 242-246.
De rechtbanken gebruiken deze onderdelen in de zogeheten ‘wizard’, een sjabloon voor het schrijven van een vonnis. Zie Den Tonkelaar 2015, p. 599-600.
Voor een bespreking van deze en andere leesbaarheidsformules, zie: Jansen & Boersma 2013 en Van Oosten, Tanghe & Hoste 2010.
Over begrijpelijkheid van (straf)vonnissen, zie: De Groot-van Leeuwen, Laemers & Sportel 2015. De auteurs hebben de Douma-formule gebruikt om de leesbaarheid van strafvonnissen te onderzoeken.
Deze waarden benaderen het (Amerikaanse) opleidingsniveau dat vereist is om de tekst te begrijpen, waarbij 1 het niveau van groep 3 basisschool benadert en 18 het niveau van 6vwo en hoger.
De schrijver houdt zich met formele taal aan conventies die voor een beroepsgroep gebruikelijk en begrijpelijk zijn. De taal heeft een plechtig karakter, bevat woorden die onder het grote publiek minder vaak voorkomen, bestaat vaak uit lange zinnen en is regelmatig geformuleerd in de lijdende vorm. Met heldere taal wordt bedoeld dat de ingewijde lezer een zin met één keer lezen kan begrijpen. Formele en heldere taal sluiten elkaar niet per definitie uit.
Vanzelfsprekend zegt de duur van de procedure lang niet alles over de tijdsinvestering: in dezelfde tijdspanne kan meer tijd zijn gespendeerd in de behandeling van een, bijvoorbeeld, meervoudige zaak dan in een enkelvoudige zaak. Dat geldt des te sterker wanneer het aankomt op mensuren, omdat bij de behandeling van meervoudige zaken meer mensen zijn betrokken.
In deze analyse worden verschillen en overeenkomsten tussen meervoudig en enkelvoudig gewezen jurisprudentie onderzocht door vergelijking van de daarin vermelde feiten, de gebruikte rechtsregels, de rechterlijke denkwijzen, de beoordeling, motivering en beslissing alsook de uiterlijke kenmerken van een uitspraak. Deze aspecten zijn vervat in onderstaand analysemodel.
1. Feiten
De eerste vraag is welke feiten de gerechten hebben vastgesteld voor de beoordeling van de vordering. Zonder kennis te hebben genomen van het zaaksdossier en van wat eventueel op een zitting naar voren is gebracht, is het moeilijk te achterhalen welke feiten de gerechten terzijde hebben geschoven. Het vaststellen van feiten gebeurt bovendien niet uit het niets: de feitenvaststelling vindt plaats in het kader van de rechtsregels die op de zaak van toepassing zijn. Maar om te bepalen welke rechtsregels dat zijn, moet de rechter eerst een beeld hebben van de feiten die ter zake doen. Rechterlijke oordeelsvorming is daardoor geen lineair proces, maar een proces waarin feiten en rechtsregels voortdurend met elkaar geconfronteerd worden.
In civiele zaken dragen de procespartijen stellingen en verweren aan die hun feitenrelaas vormen. Zij dienen die te motiveren en zo mogelijk met bewijs te ondersteunen. De partijen overhandigen de stukken met hun stellingen en bewijsmiddelen aan de rechter en kunnen deze ter zitting toelichten. De rechter onderzoekt en oordeelt welke van de stellingen hij als relevant feit vaststelt. Hij vult de feiten niet aan (art. 149, eerste lid, Rv).
Uit de onderzochte arresten valt op te maken of het hof zelfstandig feitenonderzoek heeft gedaan en in hoeverre het is uitgegaan van de feiten die de rechtbank heeft vastgesteld. In het eerste geval is de vraag welke verschillen er zijn naar omvang en inhoud van de door rechtbank en hof vastgestelde feitencomplexen.
2. Rechtsregels
Partijen leveren de rechter bij hun stellingen feiten aan. De rechter heeft de taak het recht op de feiten toe te passen en zo nodig om de rechtsgronden ambtshalve aan te vullen (art. 25 Rv). De vervolgstap in de analyse van de jurisprudentie is dan ook nagaan welke rechtsregels de rechtbank en het hof in hun uitspraak hebben toegepast. Het gaat hoofdzakelijk om de wet en jurisprudentie en eventueel om verdragsrecht en algemene rechtsbeginselen. In deze analyse worden de juridische instrumenten van de rechtbank en het hof vergeleken.
3. Rechterlijke denkwijzen
Rechterlijke uitspraken tonen als het goed is de wijze waarop de rechter denkt en vervolgens pas hoe hij oordeelt en beslist. Hij selecteert en ordent feiten die hij relevant acht voor de behandeling van het geschil en doet dat aan de hand van een wisselwerking met de van toepassing geachte rechtsregels. Hieruit valt op te maken dat rechterlijke oordeelsvorming geen lineair maar een wederkerig proces is. In die zin kan de genummerde fasering in dit model de lezer dus op het verkeerde been zetten. Verder kan weergave van de rechterlijke denkwijzen tegelijkertijd een uitleg van de aanpak van de beoordeling inhouden. In een uitspraak is dan bijvoorbeeld te lezen dat ‘in jaar X de risico’s van asbest bekend moeten worden verondersteld’ of dat ‘de schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan de benadeelde kan worden toegerekend’. De keuze voor toepasselijkverklaring van rechtsnormen wordt soms gemotiveerd en soms als evident gepresenteerd. In het laatste geval wordt dan bijvoorbeeld overwogen dat ‘vooropgesteld moet worden dat’.
Rechterlijke denkwijzen omvatten het proces van zoeken en uiteindelijk vinden van de in een zaak toepasselijke rechtsregels, welk verschijnsel rechtsvinding heet. Volgens de klassieke opvatting van rechtspraak past de rechter het bestaande recht toe en lukt dat niet, dan vindt hij het recht.1 Soms is de juiste toepassing van het recht zonneklaar, bijvoorbeeld als een wetsbepaling ondubbelzinnig antwoord geeft op de rechtsvraag van het voorliggende geval. Dan levert het vinden van het recht weinig problemen op. Rechtsvinding is lastiger wanneer het recht op het eerste gezicht, en soms ook op het tweede gezicht onvoldoende kenbaar is om een concrete casus te kunnen behandelen en beslissen. Laat de rechter zich bij zijn beslissing uitsluitend leiden door zijn persoonlijke rechtsbesef, dan spreekt men van autonome rechtsvinding. Rechtsregels die daarmee in strijd zijn, schuift hij terzijde. Baseert de rechter zijn beslissing uitsluitend op bestaande rechtsregels, dan doet hij aan heteronome rechtsvinding.
Autonome rechtsvinding en heteronome rechtsvinding zijn uitersten van een continuüm, waarbinnen diverse varianten kunnen worden onderscheiden.2 In de praktijk blijkt dat de zoektocht naar het recht van de Nederlandse rechter vooral duidt op heteronome rechtsvinding.3 Gelet op artikel 11 van de Wet Algemene Bepalingen is heteronome rechtsvinding de norm: de rechter moet volgens de wet rechtspreken. Het komt echter voor dat de wet onvoldoende richtsnoer biedt voor een adequate beantwoording van de rechtsvraag. Aangezien de rechter niet kan weigeren recht te spreken (artikel 13 Wet AB), dient hij in gevallen waarin de van toepassing zijnde wetsbepalingen onduidelijk of onvolledig zijn, de wet te interpreteren. Daarvoor staan hem diverse interpretatiemethoden ter beschikking.4 Past de rechter de wetshistorische benadering toe, dan zoekt hij met behulp van de parlementaire geschiedenis de bedoeling van de wetgever. Beschouwt de rechter niet alleen de ontstaansgeschiedenis van de wet maar de hele rechtsontwikkeling, dan gebruikt hij de methode van rechtshistorische interpretatie. Als de rechter een wetstekst verklaart met de grammaticale interpretatiemethode, dan let hij op de taalkundige betekenis van de relevante termen in de wet. Met de systematische methode wordt de wetsbepaling niet geïnterpreteerd als een op zichzelf staand gegeven, maar beschouwd in het groter verband van de gehele wet of zelfs van meerdere regelingen. De teleologische benadering houdt in dat de rechter de wetstekst niet letterlijk leest, maar erop let welke betekenis of uitwerking in de huidige maatschappelijke omstandigheden de meest zinvolle en gewenste is. Overigens stoelt de juridische benadering van een zaak vaak op de toepassing van een systematiek die op grond van wet, jurisprudentie of doctrine gebruikelijk is in de aanpak van een zaak. Zo komen wij in asbestzaken regelmatig de zogeheten gezichtspuntencatalogus van de Hoge Raad tegen en in bestuurdersaansprakelijkheidszaken het criterium van het Beklamelarrest.
Bij elk vonnis en elk arrest is onderzocht hoe de toepasselijke rechtsregels, al dan niet in samenhang, zijn gevonden. Tevens wordt de vraag gesteld of de gerechten een systematiek van het rechtsterrein in kwestie hebben toegepast: geen, dezelfde of een verschillende. Hieraan gerelateerd is de vraag of de gerechten in hun uitspraken jurisprudentietrouw tonen, dat wil zeggen of zij de heersende leer van de rechtspraak hebben gevolgd of daarvan afwijken.
4. Beoordeling en motivering
De rechter beoordeelt in een zaak de feitelijke en juridische geschilpunten. In dit onderzoek is eerst onderzocht of de rechtbank en het hof in een zaak dezelfde geschilpunten behandelen. Als dat het geval bleek, is vervolgens onderzocht hoe de rechter het recht op de feiten heeft toegepast. Dat betekent dat is onderzocht welke toepassing de rechter heeft gegeven, hoe hij die heeft gemotiveerd en of de beoordeling en motivering van rechtbank en hof overeenstemmen dan wel uiteenlopen.
Bij de vraag naar de wijze van toepassing van rechtsregels is er onder meer op gelet of de rechter heeft aangesloten bij de heersende leer dan wel een alternatieve uitleg van een rechtsregel heeft gegeven. Deze vraag doet zich vooral voor bij de invulling van open normen in het recht. Ook is onderzocht of de rechter regels heeft toegepast die door partijen als toepasselijk zijn aangewezen dan wel ambtshalve (andere) regels heeft toegepast. Er is op gelet of de motivering van het vonnis begrijpelijk en eenduidig is en of de beslissing logisch voortvloeit uit de beoordeling. Tevens is onderzocht of bestaande vooronderstellingen over meervoudige en enkelvoudige rechtspraak kunnen worden onderschreven. Het gaat er dan bijvoorbeeld om of meervoudige kamers meer jurisprudentiegetrouw zijn dan wel of enkelvoudige kamers meer naar pragmatische oplossingen zoeken en minder geneigd zijn strikt de wet te volgen. Met deze analyse wordt ook beoogd in enige mate uitlatingen te doen over de kwaliteit van de motivering in vonnissen en arresten – of wellicht beter: over de aanvaardbaarheid, omdat de uitspraken niet worden doorgelicht op alle denkbare kwaliteitsaspecten.5 Voor de beoordeling van de aanvaardbaarheid van een uitspraak wordt aangesloten bij de grondbeginselen van een goede procesorde, die de Hoge Raad in het arrest Vredo/Veenhuis heeft benoemd. Daarin overwoog de Raad dat elke rechterlijke beslissing ten minste zodanig moet worden gemotiveerd dat zij voldoende inzicht geeft in de daaraan ten grondslag liggende gedachtegang om de beslissing, zowel voor partijen als voor derden, controleerbaar en aanvaardbaar te maken.6 Aanvaardbaarheid komt aldus neer op een ondergrens; de rechterlijke beslissing moet op zijn minst uit te leggen zijn.7 Volgen de stappen in een redenering logisch op elkaar, dan is er conform Vredo/Veenhuis gemotiveerd.
5. Vorm van de uitspraak en duur van de procedure
Uitspraken verschillen niet alleen naar inhoud, maar ook naar verschijningsvorm. In dit verband keren in deze analyse de volgende vragen terug.
Is de structuur (indeling en opmaak) van de uitspraak duidelijk? Is een standaardstructuur gebruikt?
Een standaardstructuur van een uitspraak bestaat uit de onderdelen ‘verloop van de procedure’, ‘feiten’, ‘de beoordeling’ en ‘beslissing’.8 Voor deze onderdelen kunnen andere bewoordingen worden gebruikt. Wat de leesbaarheid van een uitspraak zoal ten goede komt, is een logische opbouw, gebruik van tussenkopjes en nummering van de passages.
Inzake het taalgebruik: gebruiken hof en rechtbank begrijpelijke taal in hun uitspraak?
Hoe begrijpelijk de taal in een tekst is, is moeilijk te objectiveren. Sinds de jaren vijftig van de twintigste eeuw zijn er leesbaarheidsformules ontwikkeld die dat toch proberen. Een van deze formules is die van de Coleman-Liau Index, waarmee de leesbaarheid wordt berekend op basis van woord- en zinslengte.9 Het spreekt voor zich dat gebruik van een dergelijke formule geen uitsluitsel geeft over de begrijpelijkheid van een tekst, maar enkel een indicatie biedt. Toch is dat, ook bij gebrek aan alternatieven, reden genoeg om de formule in deze analyse te hanteren.10 De leesbaarheid van de formule wordt gemeten op een schaal van 1 tot 18, waarbij 1 staat voor zeer eenvoudig en 18 voor zeer moeilijk leesbaar.11 Om de gebreken van deze methode enigszins te ondervangen, is het taalgebruik nog op een andere manier onderzocht, namelijk door de duidelijkheid en zorgvuldigheid van uitspraken aan mijn eigen oordeel te onderwerpen. Dat is onder meer gebeurd aan de hand van de vragen of de rechters zich helder en precies uitdrukken, hoe begrijpelijk en hoe lang de zinnen in de uitspraak zijn, in welke vorm de uitspraak overwegend is geschreven (actief dan wel passief) en of er meerdere ontkenningen in één zin voorkomen.12 Vage formuleringen, onnodig gebruik van jargon, zinnen van meer dan zestig woorden, veelvuldig gebruik van de passieve vorm en meerdere ontkenningen in één zin verminderen de leesbaarheid.
Verder wordt de duur van de procedures vergeleken. Als aanvangsdatum van de procedure geldt de dag van het uitbrengen van de dagvaarding. Die is in de arresten en in ongeveer de helft van de vonnissen opgenomen. Werd die dag niet vermeld, dan zijn er in het vonnis aanknopingspunten gezocht, zoals de datum van aansprakelijkstelling, van het tussenvonnis en/of van het vonnis in incident, zodat er een reële schatting van de duur kan worden gegeven. De dag van de einduitspraak markeert het einde van de procedure bij het betreffende gerecht. 13
6. Bijzonderheden
Gaande de jurisprudentieanalyse zijn aspecten in het oog gesprongen die niet bij de bovengenoemde analyse-eenheden zijn onder te brengen. Deze aspecten worden onder ‘bijzonderheden’ geschaard. Het gaat bijvoorbeeld om een overweging in een uitspraak waar emotie in doorklinkt, om gekopieerde passages uit eerdere jurisprudentie of om een rechterswissel tijdens de behandeling.