Nemo tenetur in belastingzaken
Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/4.2.15:4.2.15 Van Weerelt t. Nederland (2015)
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/4.2.15
4.2.15 Van Weerelt t. Nederland (2015)
Documentgegevens:
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS490752:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Ik wijs tot besluit op de ontvankelijkheidsbeslissing in de zaak Van Weerelt. De klager in deze zaak is volgens de Nederlandse belastingdienst als gerechtigde betrokken geweest bij een vermogen dat werd beheerd via een Liechtensteinse stichting. Omdat ondanks herhaaldelijk aandringen adequate informatieverstrekking door klager uitbleef en de termijn voor het opleggen van belastingaanslagen dreigde te verlopen, legde de inspecteur eind 2010 (ambtshalve) aanslagen plus vergrijpboetes op. Nadat de klager bezwaar had gemaakt tegen de opgelegde aanslagen vorderde de Staat in een kortgedingprocedure afgifte van de gevraagde informatie. De kortgedingrechter wees deze vordering ook in appel toe onder de last van een dwangsom. Medio 2013 oordeelde ook de civiele kamer van de HR dat de klager gehouden was om de gevraagde informatie te verstrekken, maar verbond zij aan de vordering de restrictie dat, voor zover de door de klager te verstrekken informatie van diens wil afhankelijk is, de informatie enkel voor heffingsdoeleinden gebruikt mag worden.1
Van Weerelt klaagt bij het Hof dat hij vanwege de dreiging van een dwangsom in strijd met art. 6 EVRM is gedwongen om actief mee te werken aan het vergaren van bewijs dat tegen hem kan worden gebruikt in de (heffings)procedure, in verband waarmee al substantiële (vergrijp)boetes aan hem waren opgelegd. Ter zake overweegt het Hof met verwijzing naar de zaken Allen en King dat de Nederlandse Belastingdienst gerechtigd was om voor heffingsdoeleinden informatie te vorderen die niet buiten de klager om kan worden verkregen. In de civiele (dwangsom)procedures voor de nationale rechter was nog geen sprake van een ‘final determination of any “criminal charge”’, aldus het Hof, terwijl het geen reden ziet om in deze fase al aan te nemen dat de vereisten van art. 6 EVRM in toekomstige (boete- of straf)procedures niet zullen worden gewaarborgd. Vanwege de restrictie die de HR aan de vordering verbindt, is volgens het Hof ook geen sprake van een situatie zoals die zich voordeed in de zaken J.B., Shannon en Chambaz.2 De tweede (alternatieve) klacht dat in de Nederlandse wetgeving niet is voorzien in wettelijke waarborgen om dergelijk (punitief) gebruik te voorkomen, verklaart het Hof eveneens niet-ontvankelijk vanwege de door de HR geformuleerde restrictie (die daarvoor in de plaats komt).3