Einde inhoudsopgave
Het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel (FM nr. 170) 2021/7.3.1
7.3.1 De bewijslast dat wordt voldaan aan het ‘andere afloop’-criterium
Anneke Els Keulemans, datum 01-08-2021
- Datum
01-08-2021
- Auteur
Anneke Els Keulemans
- JCDI
JCDI:ADS362939:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal procesrecht / Beroepsfase
Fiscaal procesrecht / Procesorde
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Fiscaal bestuursrecht / Bezwaarfase
Europees belastingrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Noot Huygen van Dyck - Jagersma bij HR 19 februari 2016, nr. 14/06588, NTFR 2016/753.
HvJ 3 juli 2014, zaken C-129/13 en C-130/13, (Kamino), punt 79.
HvJ 3 juli 2014, zaken C-129/13 en C-130/13, (Kamino), punt 81: “In de hoofdgedingen geven de belanghebbenden zelf toe dat de bezwaarprocedure geen andere afloop zou hebben gehad indien zij voorafgaand aan de litigieuze beschikking waren gehoord, aangezien zij de door de belastingadministratie gemaakte tariefindeling niet betwisten.”
HvJ 21 september 2000, zaak C-462/98 P, (Mediocurso), punt 45.
HR 30 maart 2015, nr. 13/01940, NTFR 2015/2450, BNB 2015/207, r.o. 2.7.4.
Hof Amsterdam 14 februari 2013, nr. 11/00595, ECLI:NL:GHAMS:2013:BZ2211, r.o. 6.13; Hof Amsterdam 13 oktober 2016, nr. 15/00782, V-N 2017/4.25.11, r.o. 5.13.
Hof Arnhem-Leeuwarden 19 april 2016, nrs. 11/00447 en 11/00448, NTFR 2016/1458, r.o. 4.11.
Hof Amsterdam 23 juni 2016, nrs. 15/00713 tot en met 15/00722, NTFR 2016/2336.
Hof Amsterdam 23 juni 2016, nrs. 15/00713 tot en met 15/00722, NTFR 2016/2336 en HR 14 augustus 2015, nr. 13/01940, NTFR 2015/2450, BNB 2015/207, punt 2.7.4.
J.A.R. van Eijsden in zijn noot bij HR 15 mei 2020, nr. 18/01696, BNB 2020/136; Mezouar en Gomes Vale Viga 2021, onder 3.2.5: Mezouar en Gomes Vale Viga geven aan weinig heil te zien in het voorstel van Van Eijsden omdat de materiële rechtstoepassing voorop staat.
De eerste aanwijzing die het Hof van Justitie geeft, is dat de bewijslast of wordt voldaan aan het ‘andere afloop’-criterium bij de belanghebbende ligt. Het Hof van Justitie doet dit impliciet.1 Dit impliciete oordeel blijkt bijvoorbeeld uit de zaak Kamino.2 Het Hof van Justitie oordeelt eerst dat de schending van het kenbaarmakingsbeginsel naar Unierecht pas leidt tot nietigverklaring van het na afloop van de betrokken administratieve procedure genomen besluit, als de procedure zonder deze onregelmatigheid een andere afloop had kunnen hebben. Het formuleert hiermee het ‘andere afloop’-criterium heel algemeen, maar in een latere rechtsoverweging in de zaak Kamino wordt aangesloten bij hetgeen de belanghebbende aanvoert.3 In de zaak Mediocurso heeft het Hof van Justitie overwogen dat als de belanghebbende naar behoren was gehoord, de belanghebbende bepaalde redenen uiteen had kunnen zetten.4 Hieruit leid ik af dat het Hof van Justitie impliciet de bewijslast bij belanghebbende neerlegt en niet zal worden voldaan aan het ‘andere afloop’-criterium als de belanghebbende hier geen concrete grond voor aanvoert en zo nodig onderbouwt. De Hoge Raad legt de bewijslast ook vaak impliciet bij de belanghebbende neer.5 De rechtbanken en gerechtshoven zijn hierover vaak explicieter.6 Zo oordeelde bijvoorbeeld Hof Arnhem-Leeuwarden dat de belanghebbende zich niet op specifieke concrete feitelijke omstandigheden, maar meer op algemeenheden beriep.7 Hof Amsterdam legt de bewijslast, die belanghebbende heeft, zo uit dat alleen feiten en omstandigheden die belanghebbende ook daadwerkelijk in de context van het ‘andere afloop’-criterium aandraagt, een rol kunnen spelen bij de invulling hiervan. Wijzigingen die door toedoen van de belastingdienst of de rechterlijke macht plaatsvinden, leiden wel tot een wijziging van het bezwarende besluit ten gunste van de belanghebbende, maar kunnen geen rol spelen in het kader van het ‘andere afloop’-criterium, aldus Hof Amsterdam.8 Gevolg van deze zienswijze is dat als de belastingdienst of de rechtspraak een vermindering signaleert voordat de belanghebbende dit doet, dit niet tot een vernietiging kan leiden van het bezwarende besluit. Hof Amsterdam sluit daarbij aan bij een overweging van de Hoge Raad, dat het een inbreng van de belanghebbende moet zijn.9 Van Eijsden komt ook tot de conclusie dat de bewijslast bij de belanghebbende ligt, maar is van mening dat dit wel wringt als de rechten van een belanghebbende zijn beperkt en de beperking niet gerechtvaardigd is.10 Van Eijsden stelt daarom voor de bewijslast bij het bestuursorgaan neer te leggen. Het bestuursorgaan moet dan bewijzen dat er zonder schending geen andere afloop was geweest. Ik vraag me af of de bewijslast bij de belanghebbende wringt. De belanghebbende heeft een recht dat hij in kan roepen, maar dit is niet een verplichting. De belanghebbende kan een nadeel ondervinden van de schending, maar dat hoeft niet. Overigens stelt de inspecteur in de praktijk tegenover het standpunt van een belanghebbende dat wordt voldaan aan het ‘andere afloop’-criterium, vaak dat er zonder schending geen andere afloop was geweest.