Einde inhoudsopgave
Rechten van polishouders bij portefeuilleoverdracht, juridische fusie en juridische splitsing door verzekeraars (O&R nr. 148) 2024/6.6.3.2
6.6.3.2 Het recht van beroep bij de bestuursrechter
mr. A.M.M. Menken, datum 01-01-2024
- Datum
01-01-2024
- Auteur
mr. A.M.M. Menken
- JCDI
JCDI:ADS949823:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Art. 8:41a Awb. Zie hierover Schreuder-Vlasblom 2017, p. 1038-1066; Barkhuysen e.a. 2022, p. 329-332 en kort Silverentand en Van der Eerden 2018, p. 524-525.
Art. 8:108 Awb verklaart namelijk op het hoger beroep de titels 8.1 tot en met 8.3 van de Awb van overeenkomstige toepassing. De hiervoor genoemde artikelen 8:70 Awb en 8:72 Awb zijn opgenomen in afdeling 8.2.6 van de Awb.
Als gezegd toetst de Rechtbank Rotterdam dus het besluit op bezwaar van DNB en toetst het CBb de uitspraak van de Rechtbank Rotterdam. Zo ook Silverentand en Van der Eerden 2018, p. 525.
Barkhuysen e.a. 2022, p. 321-322.
Barkhuysen e.a. 2022, p. 322-325.
Hiervan was sprake in de jurisprudentie omtrent de juridische fusie van Optas Pensioenen en Aegon Levensverzekering. Zie Rb. Rotterdam 13 februari 2023, ECLI:NL:RBROT:2023:914 en Rb. Rotterdam 13 februari 2023, ECLI:NL:RBROT:2023:915, JOR 2023/105, m.nt. A.M.M. Menken; PJ 2023/39, m.nt. S.H. Kuiper; Van Wijk, Vervuurt en Hamelijnck, VAST 2023/B-012; Pensioenrecht Updates 2023/30 (Eisers/DNB). De rechtbank vernietigde het besluit van DNB van 8 juni 2021 waarin DNB de bezwaren van eisers ongegrond heeft verklaard en het instemmingsbesluit heeft gehandhaafd. Het oorspronkelijke instemmingsbesluit van 26 februari 2019 werd door de rechtbank herroepen.
Tegen een besluit, genomen op grond van de Wet op het financieel toezicht, kan (behalve in enkele bijzondere gevallen die hier niet relevant zijn) beroep worden ingesteld bij de Rechtbank Rotterdam.1 Hoger beroep tegen een uitspraak van de Rechtbank Rotterdam omtrent de Wet op het financieel toezicht (behalve wederom in enkele bijzondere gevallen die hier niet relevant zijn) moet worden ingesteld bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.2 Indien DNB het instemmingsbesluit niet herroept, kunnen de polishouders dus met betrekking tot de beslissing op hun bezwaar in beroep bij de Rechtbank Rotterdam en vervolgens in hoger beroep bij het CBb.
Het instellen van beroep bij de Rechtbank Rotterdam geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij die rechter (art. 6:4 lid 3 Awb). Het betreft hier dus een beroep tegen het besluit van DNB naar aanleiding van het ingediende bezwaar. De partijen (hier dus: DNB en degene die bezwaar heeft gemaakt tegen een instemmingsbesluit) worden uitgenodigd om te verschijnen op een zitting van de bestuursrechter.3 In zijn uitspraak kan de rechtbank het beroep gegrond verklaren.4 Indien de rechtbank het beroep gegrond verklaart, vernietigt hij het bestreden besluit geheel of gedeeltelijk.5 Het zou hier dus gaan om vernietiging van het besluit van DNB naar aanleiding van het bezwaarschrift. De rechtbank kan daarnaast bepalen dat zijn uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.6 De bestuursrechter is op grond van de Awb ook verplicht het hem voorgelegde geschil zoveel mogelijk definitief te beslechten. Hij kan ‘zelf in de zaak voorzien’.7 Dat betekent dat hij niet alleen het besluit op bezwaar kan vernietigen, maar dat hij ook het primaire besluit (hier dus: het instemmingsbesluit van DNB op grond van art. 3:119 lid 4 Wft) kan herroepen.
Een belanghebbende en het bestuursorgaan (hier dus: DNB) kunnen vervolgens nog hoger beroep instellen van de uitspraak van de Rechtbank Rotterdam.8 Indien de belanghebbende bij de Rechtbank Rotterdam niet in het gelijk zou zijn gesteld, kan hij dus alsnog door het CBb in het gelijk worden gesteld. Het CBb kan dan de uitspraak van de Rechtbank Rotterdam vernietigen. Net zoals de Rechtbank Rotterdam kan ook het CBb dan tevens het primaire besluit (het instemmingsbesluit van DNB op grond van art. 3:119 lid 4 Wft) herroepen.9
De Rechtbank Rotterdam en het CBb10 doen uitspraak op de grondslag van het beroepschrift, de overgelegde stukken, het verhandelde tijdens het vooronderzoek en het onderzoek ter zitting.11 Ze kunnen ook ambtshalve de rechtsgronden en feiten aanvullen.12 De rechter hoeft DNB dus niet in het algemeen op de rechtmatigheid van de besluitvorming over het instemmingsbesluit te controleren.13 Het aanvullen van rechtsgronden en feiten vindt dus ook alleen plaats voor zover dat nodig is om de beroepsgronden te kunnen beoordelen.14 In hoofdstuk 6.6.8 bespreek ik de verdere wijze van toetsing door de bestuursrechter.
De conclusie is dus dat er drie momenten zijn waarop het door DNB op grond van art. 3:119 lid 4 Wft genomen instemmingsbesluit met terugwerkende kracht kan worden herroepen: op het moment van het besluit van DNB naar aanleiding van een bezwaarschrift, op het moment van de uitspraak van de Rechtbank Rotterdam naar aanleiding van ingesteld beroep,15 en op het moment van de uitspraak van het CBb naar aanleiding van ingesteld hoger beroep.