Nemo tenetur in belastingzaken
Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/4.2.12:4.2.12 Jalloh t. Duitsland (2006)
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/4.2.12
4.2.12 Jalloh t. Duitsland (2006)
Documentgegevens:
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS489451:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In de herfst van 1993 observeerden vier in burger geklede agenten hoe Abu Bakah Jalloh enkele keren hele kleine plastic bolletjes uit zijn mond nam en aan een andere persoon gaf in ruil voor geld. Omdat de agenten vermoedden dat het bolletjes cocaïne betroffen, arresteerden zij hem, waarna hij een bolletje doorslikte. De politie trof geen cocaïne aan op het lichaam of in de kleding. Omdat verdere vertraging het onderzoek zou frustreren, werd aan hem een braakmiddel toegediend door een arts om hem zo ertoe te bewegen het bolletje uit te spugen. Omdat hij niet vrijwillig meewerkte, werd met toepassing van de nodige fysieke dwang bij hem een slang door de neus ingebracht en naar de maag geleid. Bovendien werd hem een injectie toegediend. Hij spuugde daarop het bolletje cocaïne uit. Uiteindelijk werd hij veroordeeld tot een gevangenisstraf.
Op de klacht van Jalloh, dat art. 6, lid 1 EVRM is geschonden, oordeelt het EHRM dat het bewijsgebruik van in strijd met art. 3 EVRM verkregen ontaardt in een onbehoorlijk strafproces, ook al gaat het in aanleg om wilsonafhankelijk bewijs. De medische interventie was niet ingegeven door eventuele gevaren voor klagers gezondheid, maar had tot doel om bewijs te verkrijgen. Het Verdrag bevat daarop weliswaar geen principieel verbod, maar inbreuken op de fysieke integriteit ten behoeve van bewijsverkrijging moeten strikt worden beoordeeld. Strikt genomen gaat deze zaak niet over nemo tenetur, maar over de doorwerking van schending van art. 3 EVRM naar art. 6 EVRM.