Einde inhoudsopgave
Het akkoord (O&R nr. 60) 2011/6.11.5
6.11.5 Wat is wenselijk recht?
Mr. A.D.W. Soedira, datum 25-02-2011
- Datum
25-02-2011
- Auteur
Mr. A.D.W. Soedira
- JCDI
JCDI:ADS441229:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
HR 14 oktober 1992, BNB 1992/392.
HR 7 december 2001, V-N 2002/2.8; Hof 's-Gravenhage 6 juni 1988, FED 1988/603 en Hof Arnhem 19 april 1996, V-N 1996, 2973.
Vgl. Van Oers, De doorstart van een NV/BV bij insolventie, Fiscale monografieën, 2007, p. 164 en 165.
Vgl. Bartel, Cornelisse & Van Weeghel, Van Soest Belastingen, Deventer: Kluwer 2007, p. 68 en Niessen en Pieterse, De Wet Inkomstenbelasting 2001, Amersfoort: Sdu Uitgevers 2009, p. 185. Zie echter Van Oers, De doorstart van een NV/BV bij insolventie, Fiscale monografieën, 2007, p. 164 e.v. en Tekstra, Boekbespreking van M.N.M. van Oers, De doorstart van een NV/BV bij insolventie, Tvl 2007/42, p. 210.
Zie echter Bartel, Cornelisse & Van Weeghel, Van Soest Belastingen, Deventer: Kluwer 2007, p. 68 en Niessen en Pieterse, De Wet Inkomstenbelasting 2001, Amersfoort: Sdu Uitgevers 2009, p. 185.
Zie voor de invulling van deze voorwaarde onder meer HR 26 november 1980, BNB 1981/4 en HR 5 april 1995, BNB 1995/219, V-N 1995/15.18.
HR 5 april 1995, BNB 1995/219, V-N 1995, onder punt 7, p. 15.18.
Vgl. Van Oers, De doorstart van een NV/BV bij insolventie, Fiscale monografieën, 2007, p. 165 e.v.
HR 14 oktober 1992, BNB 1992/392.
In gelijke zin Van Oers, De doorstart van een NV/BV bij insolventie, Fiscale monografieën, 2007, p. 162 en 163; Schonis, Fiscale aspecten van de doorstart van ondernemingen, TVVS1997/7, p. 205 en Sillevis e.a., Cursus Belastingrecht (Inkomstenbelasting), Deventer: Kluwer (losbl.), onderdeel 3.2.13.D.b.
Nu uit voornoemde arresten niet valt af te leiden dat een schuldenaar wiens faillissement is beëindigd door een akkoord onder de regeling van art. 3.13 lid 1 onder a Wet IB valt, dient opnieuw de vraag te worden gesteld of deze schuldenaar van voornoemde fiscale faciliteit gebruik zou moeten kunnen maken. Het moge duidelijk zijn dat het antwoord op deze vraag voor de rechtspraktijk van groot belang is. Uitgangspunt bij een akkoord is dat de restantvorderingen overblijven als natuurlijke verbintenissen, zodat van een kwijtschelding in de zin van art. 6:160 BW in beginsel geen sprake kan zijn. De vraag is echter of ook in deze situatie kan worden gesproken van 'prijsgeven' in de zin van art. 3.13 Wet IB. Nu deze vraag nog niet expliciet in de rechtspraak aan de orde is geweest, heeft de Hoge Raad hierop nog geen antwoord kunnen geven. Overigens is aan de hand van de hiervoor genoemde arresten wel het een en ander af te leiden. Volgens de Hoge Raad kan niet worden gesproken van 'prijsgeven' indien schuldeisers hun rechten verloren zien gaan door het verbindend worden van de slotuitdelingslijst.1 In de hiervoor genoemde arresten komt naar voren dat sprake is van 'prijsgeven', indien een schuldeiser definitief afziet van invordering, terwijl er geen sprake is van een kwijtschelding in de zin van art. 6:160 BW.2 In het kader van een akkoord blijven de niet-voldane gedeelten van de vorderingen in beginsel van rechtswege over als natuurlijke verbintenissen. De aan een akkoord gebonden schuldeisers doen daar niets voor, het is nu eenmaal zo, omdat het van rechtswege voortvloeit uit het systeem van de wet. In zijn algemeenheid kan daarom niet worden gezegd dat concurrente schuldeisers bij een akkoord afzien van inning van de niet-voldane gedeelten van hun vorderingen. Inherent aan een natuurlijke verbintenis is immers dat de vordering niet langer geïnd kan worden vanwege het ontbreken van de afdwingbaarheid van de vordering.3 Voor de gebonden schuldeisers aan een akkoord is het rechtens onmogelijk geworden het niet-voldane gedeelte van de vordering te innen. Van het 'prijsgeven' van de vordering kan mijns inziens echter niet worden gesproken, nu de schuldeisers daarover niets in te brengen hebben. Het voorgaande geldt te meer voor tegenstemmende schuldeisers: zij willen hun vorderingen jegens de schuldenaar niet opgeven maar juist behouden. Zij worden niettemin aan een akkoord gebonden, omdat de wet dit dwingend voorschrijft in art. 157 Fw. Een niet-opgekomen schuldeiser verkeert min of meer in eenzelfde situatie. Ook zij raken zonder instemming aan een gehomologeerd akkoord gebonden. Voor beide groepen schuldeisers geldt dat zij hun rechten verloren zien gaan, althans hun rechten zijn niet langer afdwingbaar, doordat het vonnis van homologatie van het akkoord in kracht van gewijsde is gegaan.4 Ten opzichte van tegenstemmende- en niet-opgekomen schuldeisers kan om die reden al helemaal niet worden gesproken van 'prijsgeven' van de vordering. Voor 'prijsgeven' is toch een zekere bewuste activiteit van de schuldeiser vereist en daarvan is bij de voornoemde schuldeisers zeker geen sprake.5 In dat opzicht zijn deze schuldeisers die op grond van de wet aan een gehomologeerd akkoord gebonden raken enigszins te vergelijken met schuldeisers die hun rechten verloren zien gaan door het verbindend worden van een slotuitdelingslijst. Op grond van het voorgaande ligt het daarom meer voor de hand om aan te nemen dat de schuldenaar wiens faillissement door een akkoord eindigt, geen beroep kan doen op de kwijtscheldingswinstregeling van art. 3.13 lid 1 onder a Wet IB.6
Het is echter de vraag of in art. 3.13 Wet IB het accent wel dient te liggen op het vereiste 'prijsgeven'. Zou het niet redelijker en wenselijker zijn de nadruk te leggen op het vereiste in art. 3.13 Wet IB dat de vordering niet langer voor verwezenlijking vatbaar is?7 Ik meen dat, indien het zwaartepunt van art. 3.13 Wet IB hierop komt te liggen, dit meer recht zou doen aan het doel en de strekking van art. 3.13 Wet IB. De Hoge Raad heeft in een arrest van 1995 ten aanzien van de vraag wat onder 'niet voor verwezenlijking vatbare rechten' moet worden verstaan, het volgende overwogen:
"De voor de toepassing van de onderhavige vrijstelling gestelde eis dat de kwijtschelding betrekking dient te hebben op niet voor verwezenlijking vatbare rechten houdt in, dat een redelijk oordelende en zakelijk handelende crediteur op grond van de ten tijde van de kwijtschelding bestaande feiten en omstandigheden, zoals deze voor hem kenbaar konden zijn tot het oordeel moest komen dat pogingen tot inning of verhaal vruchteloos zouden blijven of tot naar maatschappelijke opvattingen onaanvaardbare gevolgen zouden leiden."8
Hoewel het genoemde arrest van 7 december 2001 de vraag betrof of sprake was van prijsgeven in de zin van art. 3.13 Wet IB, heeft de Hoge Raad in dat arrest niet alleen gezegd dat prijsgeven ruim moet worden opgevat, maar opmerkelijk genoeg ook dat onder prijsgeven de situatie kan vallen dat een schuldeiser definitief afziet van pogingen zijn vordering te innen. De vraag is of de Hoge Raad hiermee heeft aangegeven dat de twee for mele vereisten van art. 3.13 Wet IB geen los van elkaar staande, zelfstandige voorwaarden zijn, maar dat de twee vereisten materieel gezien eigenlijk op hetzelfde neerkomen. Ik zou dat een goede zaak vinden. Uiteindelijk komt het bij art. 3.13 Wet IB aan op de vraag of de vordering van de schuldeiser nog kan worden verhaald op het vermogen van de schuldenaar. Uit de overweging van de Hoge Raad uit het arrest van 1995 kan worden opgemaakt dat voornoemde vraag beantwoord dient te worden vanuit het perspectief van de schuldeiser. Indien in het concrete geval op voornoemde vraag een ontkennend antwoord moet worden gegeven, dient de schuldenaar mijns inziens een beroep te kunnen doen op de regeling van art. 3.13 Wet IB. Hierin ligt de essentie van art. 3.13 Wet IB besloten. Of hierbij kan worden gesproken van 'prijsgeven' van het vorderingsrecht door de schuldeiser, zou geen doorslaggevende factor moeten zijn.9 Voor het akkoord zou dit betekenen dat de schuldenaar zonder meer gebruik kan maken van de kwijtscheldingswinstregeling, nu bij een akkoord het niet-voldane gedeelte van de vordering van rechtswege resteert als een natuurlijk verbintenis. Het niet-voldane gedeelte van de vordering is derhalve niet langer verhaalbaar op het vermogen van de schuldenaar.10 Afgezien van het feit dat met voorgaande opvatting meer recht wordt gedaan aan het doel en de strekking van art. 3.13 Wet IB, geldt bovendien dat deze zienswijze ook meer in overeenstemming is met het doel en de strekking van het akkoord. Een akkoord is immers een saneringsinstrument, waarmee onder meer wordt beoogd dat de schuldenaar na voldoening aan het akkoord niet langer aansprakelijk is voor de niet-voldane gedeelten van de vorderingen. Met het doel van het akkoord is niet in overeenstemming dat de schuldenaar wiens faillissement is beëindigd door een akkoord, gehouden zou zijn belasting te betalen over de gedeelten van de vorderingen die niet zijn voldaan.
Het zou beter zijn geweest wanneer bij de herziening van de Wet Inkomstenbelasting 1964 het vereiste 'prijsgeven' in art. 3.13 Wet IB was komen te vervallen. Nu dit niet is gebeurd, is het gezien het doel en de strekking van art. 3.13 Wet IB wenselijk het prijsgevingselement niet te zien als een zelfstandige vereiste, maar als een voorwaarde die opgaat in het bredere vereiste dat de vordering niet langer verhaalbaar is op het vermogen van de schuldenaar.
Het voorgaande zou overigens ook van toepassing moeten zijn op de situatie uit het genoemde arrest van de Hoge Raad van 1992.11 De Hoge Raad heeft in dat arrest geoordeeld dat van schuldeisers die hun rechten verloren zien gaan door het verbindend worden van de slotuitdelingslijst, niet kan worden gezegd dat zij hun vorderingen hebben prijsgegeven. Het gevolg hiervan was dat de fiscale eenheid winst heeft moeten nemen ter grootte van de vrijval van schulden en dat er geen gebruik kon worden gemaakt van de regeling van art. 3.13 Wet IB. De posities van deze schuldeisers zijn echter te vergelijken met schuldeisers wier vorderingen door homologatie van een akkoord van rechtswege worden omgezet in natuurlijke verbintenissen. Indien een schuldenaar wiens faillissement door een akkoord is geëindigd, gebruik kan maken van de regeling van art. 3.13 Wet IB, dan zou ook een schuldenaar wiens faillissement door het verbindend worden van een slotuitdelingslijst wordt beëindigd, op die regeling een beroep moeten kunnen doen. Er is geen redelijke grond om de schuldenaren in de hiervoor geschetste situaties in fiscaal opzicht verschillend te behandelen.12 Een argument te meer om de schuldenaren in de hierboven beschreven situaties beiden gebruik te laten maken van de kwijtscheldingswinstregeling van art. 3.13 Wet IB is te vinden in de schuldsaneringsregeling. Alvorens hierop wordt ingegaan, zal eerst een korte uiteenzetting worden gegeven van het akkoord in die regeling.