Startinformatie in het strafproces
Einde inhoudsopgave
Startinformatie in het strafproces 2014/5.5.3.2:5.5.3.2 De verdenking: gevallen waarin de verdenking niet wordt aangenomen
Startinformatie in het strafproces 2014/5.5.3.2
5.5.3.2 De verdenking: gevallen waarin de verdenking niet wordt aangenomen
Documentgegevens:
mr. dr. S. Brinkhoff, datum 29-09-2014
- Datum
29-09-2014
- Auteur
mr. dr. S. Brinkhoff
- Vakgebied(en)
Politierecht / Bevoegdheden
Strafprocesrecht / Voorfase
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Rb. Maastricht 5 juli 2006, LJN AY5708.
Hof Amsterdam 27 oktober 2010, NJFS 2011, 17.
Hof ‘s-Hertogenbosch 25 januari 2008, LJN BC5433. Zie in dit verband ook Rb. Amsterdam 20 juli 2010, LJN BN1981 en Rb. Maastricht 6 april 2012, LJN BW1470.
Zie voor een welhaast identieke casus en uitspraak Rb. Zeeland-West-Brabant 12 februari 2014, ECLI:NL:RBZWB:2014:818.
Hof ‘s-Hertogenbosch 2 april 2008, LJN BC9483.
Hof Leeuwarden 24 juni 2010, LJN BM9988.
Rb. Midden-Nederland 28 februari 2014, ECLI:NL:RBMNE:2014:764.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De gevallen waarin geen verdenking wordt aangenomen, zijn schaars. In de zaak die ten grondslag ligt aan het vonnis van de Rechtbank Maastricht was de woning van de verdachte doorzocht enkel op basis van TCI-informatie inhoudende dat harddrugs in zijn woning zijn opgeslagen.1 De rechtbank oordeelt dat deze informatie ontoereikend is als basis voor de uitoefening van bevoegdheden die gepaard gaan met inbreuken op grond- en vrijheidsrechten van burgers, zoals het betreden en doorzoeken van een woning. Nu uit het dossier niet blijkt dat op enige wijze is getracht de TCI-informatie in het kader van de opsporing eerst op een minder vergaande wijze te concretiseren, wordt de doorzoeking onrechtmatig geacht en de resultaten van de doorzoeking uitgesloten van het bewijs. Een en ander resulteert in vrijspraak voor de verdachte. Deze uitspraak toont de, weliswaar impliciete, toetsing aan het uit het tweede lid van art. 8 EVRM voortvloeiende subsidiariteitsbeginsel in die zin dat het toepassen van een dwangmiddel moet worden gerechtvaardigd door de resultaten van voorafgaand aanvullend onderzoek.
Het zojuist opgemerkte wordt ook duidelijk zichtbaar in het arrest van het Hof Amsterdam van 27 oktober 2010.2 In casu wordt in de informatie van het TCI melding gemaakt van het vermoedelijke drugsbezit van een persoon die zal landen op Schiphol. In het TCI-proces-verbaal tekent het Hoofd TCI aan dat deze informatie niet op betrouwbaarheid kan worden beoordeeld. Het hof oordeelt dat de door het TCI verstrekte informatie slechts aanleiding kon geven tot extra alertheid en kon leiden tot toepassing van de zogenaamde ‘slikkerscriteria’ bij de grenscontrole. De informatie wordt onvoldoende bevonden om het vrijheidsbenemende dwangmiddel van de aanhouding te rechtvaardigen. De uitsluiting van bewijs en vrijspraak is hiervan het gevolg. Het Hof ‘s-Hertogenbosch heeft zich in twee arresten uitgelaten over TCI-informatie waarvan het Hoofd TCI geen betrouwbaarheidsoordeel kon geven. In het arrest van 25 januari 2008 ziet de TCI-informatie op de aanwezigheid van een vuurwapen in de woning van de verdachte.3 Deze informatie wordt slechts aangevuld met een adresonderzoek, waaruit blijkt dat de verdachte daadwerkelijk daar woont. Tijdens de daaropvolgende doorzoeking op grond van art. 49 WWM wordt geen vuurwapen, maar wel een hennepkwekerij aangetroffen. Het hof oordeelt dat de TCI-informatie onvoldoende concreet was en niet genoegzaam is getoetst om grondslag te kunnen bieden voor een verdenking ex art. 49 WWM: nader onderzoek had plaats moeten vinden, temeer nu het TCI geen oordeel kon geven over de betrouwbaarheid van de informatie.4 Het binnentreden wordt dientengevolge onrechtmatig geacht en het daardoor verkregen bewijs uitgesloten. Ten overvloede overweegt het Hof dat een andere benadering tot gevolg kan hebben dat een onvoldoende concrete en niet genoegzaam getoetste melding tot toepassing van verstrekkende strafvorderlijke bevoegdheden kan leiden, waarmee onder meer inbreuk wordt gemaakt op art. 8 EVRM.
In het andere arrest van het Bossche hof ziet het TCI-proces-verbaal op het feit dat de verdachte vanuit het huis van zijn vriendin handelt in cocaïne en weed.5 Het hof overweegt wederom dat nu het Hoofd TCI geen oordeel kan geven over de betrouwbaarheid van de informatie dit, zonder nader onderzoek, onvoldoende is voor het redelijk vermoeden of het inzetten van dwangmiddelen. Dit leidt op grond van art. 359a Sv tot bewijsuitsluiting van de door de betreding gevonden verdovende middelen, met een vrijspraak als gevolg. Ten overvloede overweegt het hof nog dat geen sprake was van acute dreiging voor personen of goederen en dat daarom onmiddellijk ingrijpen niet nodig was. Het hof stipt aldus de situatie aan dat aan het aanvullende onderzoek zwaardere eisen moeten worden gesteld in die situaties dat geen sprake is van het verstrekken van gevaarzettende dan wel tot onmiddellijk strafvorderlijk ingrijpen nopende informatie.
Een op TCI-informatie berustende verdenking lijkt ten slotte te eindigen als tijdens een doorzoeking gevonden wordt waarop de informatie betrekking had. Een en ander valt af te leiden uit een arrest van het Hof Leeuwarden.6In casu zag de TCI-informatie op de aanwezigheid van een vuurwapen. Het hof overweegt dat op basis van deze informatie een doorzoeking ex art. 49 WWM mogelijk is. Na het aantreffen van het vuurwapen valt de grond voor de doorzoeking echter weg. Nu de doorzoeking toen is doorgezet, is sprake van een vormverzuim. Met inachtname van art. 359a Sv wordt vervolgens het bewijsmateriaal uitgesloten dat na het aantreffen van het vuurwapen is verzameld, resulterend in een vrijspraak voor andere aan de verdachte ten laste gelegde feiten.
Ten slotte wordt in dit verband gewezen op het vonnis van de Rechtbank Midden-Nederland van 28 februari 2014.7 In casu wordt op basis van TCI-informatie en enkele belastende tapgesprekken overgegaan tot het verrichten van DNA-onderzoek (afnemen van celmateriaal van de verdachte). De rechtbank oordeelt dat deze gebundelde informatie onvoldoende is om de ernstige bezwaren aan te nemen op grond waarvan celmateriaal mag worden afgenomen en sluit de resultaten van het DNA-onderzoek uit van het bewijs.
Uit de betrekkelijk schaarse en uitsluitend lagere jurisprudentie op het punt van het ontbreken van een verdenking kan worden afgeleid dat de zittingsrechter tot een dergelijk oordeel komt in die gevallen waarin geen of in de ogen van de zittingsrechter te beperkt aanvullend onderzoek is verricht ter staving van de informatie van het TCI en in veel gevallen bovendien geen oordeel over de betrouwbaarheid van de verstrekte informatie kan worden gegeven door het Hoofd TCI. Anders gesteld meent de zittingsrechter in de geschetste gevallen (terecht) dat het toepassen van een dwangmiddel moet worden gerechtvaardigd door de resultaten van voorafgaand aanvullend onderzoek. Aldus wordt (impliciet) getoetst aan het uit het tweede lid van art. 8 EVRM voortvloeiende subsidiariteitsbeginsel. De vraag kan worden gesteld hoe deze jurisprudentie zich verhoudt tot de recente rechtspraak van de Hoge Raad. Hier wordt volstaan met de opmerking dat het belangrijk is dat dit soort rechterlijke uitspraken ook worden gedaan, omdat de lagere rechter hiermee aangeeft kritisch te toetsen aan het verdenkingsbegrip en bovendien zichtbaar wordt dat niet in alle gevallen het puur en alleen verstrekken van TCI-informatie leidt tot de aanname van een verdenking. Zodoende wordt het signaal afgegeven dat ook met het strafvorderlijk acteren op basis van TCI-informatie behoedzaam dient te worden omgegaan en dat er ten minste een inspanningsverplichting voor de tactische recherche bestaat om deze gegevens door de resultaten van aanvullend onderzoek bevestigd te krijgen. Wat betreft de rechterlijke sanctionering in een dergelijk geval kan worden verwezen naar eerdere opmerkingen gemaakt in het kader van de anonieme meldingen van burgers, in de kern ertoe strekkend dat slechts in een beperkt aantal gevallen ruimte is voor bewijsuitsluiting en vaker over zal moeten worden gegaan tot strafvermindering.