Einde inhoudsopgave
Kavelruil (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/2.III.C.1.e
e. Verbetering van de landbouwstructuur
mr. J.W.A. Rheinfeld, datum 31-01-2014
- Datum
31-01-2014
- Auteur
mr. J.W.A. Rheinfeld
- JCDI
JCDI:ADS479860:1
- Vakgebied(en)
Ruimtelijk bestuursrecht / Grondexploitatie
Voetnoten
Voetnoten
Aldus D. Albregtse, P. Kavelaars, R. van Ovost, H. van der Veen, G. Venema, Evaluatie van vrijstellingen voor de landbouw in de overdrachtsbelasting, p. 32, waar tevens geconstateerd wordt dat structuurverbetering een continu proces is, benodigd om de inkomensontwikkeling in de agrarische sector op peil te houden.
Kamerstukken II 2000/2001, 27431, nr. 3. Zie tevens B.F. Preller, ‘Voorwaarden vrijstelling artikel 15.1. q WBR’, in: FBN 2001/8.
Degene die uit liefhebberij landerijen exploiteert komt dus niet in aanmerking voor de vrijstelling, aldus B.F. Preller, ‘Voorwaarden vrijstelling artikel 15.1.q WBR’. Zie tevens Hof Den Bosch 8 juni 2012, ECLI:NL:GHSHE:2012:BW8455, behandeld in onderdeel 4 hierna.
Dit criterium is opgenomen om te voorkomen dat door opeenvolgende ‘naburige’ verkrijgingen de afstand tussen de bedrijfsgebouwen en de verst verwijderde landerijen te groot wordt om nog van een verbetering van de landbouwstructuur te kunnen spreken.
Zie tevens H.F.R.M. van Thiel, ‘Verruiming vrijstelling overdrachtsbelasting voor aankoop naburig land’, p. 30.
Zie tevens onderdeel c hiervoor.
Aldus D. Albregtse, P. Kavelaars, R. van Ovost, H. van der Veen, G. Venema, Evaluatie van vrijstellingen voor de landbouw in de overdrachtsbelasting, p. 23. Zie tevens H.F.R.M. van Thiel, ‘Verruiming vrijstelling overdrachtsbelasting voor aankoop naburig land’, p. 30, die er (m.i. terecht) op wijst dat substraatteelt onderdeel van de tuinbouw is en uit dien hoofde integraal onder de vrijstelling zou moeten worden gebracht. De wetsgeschiedenis rept over gronden die bestemd zijn voor agrarisch gebruik, terwijl toentertijd de substraatteelt nog een onbekend fenomeen was.
Ontleend aan: Fiscale Encyclopedie De Vakstudie Belastingen van rechtsverkeer, aant. 6 (Lid 1 onderdeel q) Verbetering van de landbouwstructuur (tijdvak 1) bij: Wet op belastingen van rechtsverkeer, artikel 15.
In de literatuur werd deze nieuwe continuïteitseis bekritiseerd. Zie o.m. A.J. Janssen, ‘Artikel 15.1.q WBR omgeploegd?’, p. 8.
Zie H.F.R.M. van Thiel, ‘Verruiming vrijstelling overdrachtsbelasting voor aankoop naburig land’, p. 30/31.
Aldus S.B.J. van Heijst, ‘Vrijstellingen overdrachtsbelasting in de agrarische sfeer per 1 januari 1998 (1)’, P- 129.
Zie onderdeel b hiervoor. In dezelfde zin: Fiscale Encyclopedie De Vakstudie Belastingen van rechtsverkeer, aant. 6 (Lid 1 onderdeel q) Verbetering van de landbouwstructuur (tijdvak 1) bij: Wet op belastingen van rechtsverkeer, artikel 15.
Aldus Fiscale Encyclopedie De Vakstudie Belastingen van rechtsverkeer, aant. 6 (Lid 1 onderdeel q) Verbetering van de landbouwstructuur (tijdvak 1 ) bij : Wet op belastingen van rechtsverkeer, artikel 15.
HR 7 april 1982, ECLI:NL:HR:1982:AW9374, BNB 1982/227. Zie ook HR 29 juni 1983, ECLI:NL:HR:1983:AW8837, BNB 1983/260.
HR 24 juli 1995, ECLI:NL:HR:1995:AA1654, BNB 1995/286. Zie tevens O.P.N. Blom, ‘Verbetering van de landbouwstructuur’, in: FBN 1995/82.
Zie Hof Arnhem 14 november 1989, ECLI:NL:GHARN:1989:BG7631.
HR 25 november 1998, ECLI:NL:HR:1998:AA2574, gewezen n.a.v. Hof Den Haag 25 september 1997, ECLI:NL:GHSGR:1997:AA4410. Zie voor een bespreking van de Hofuitspraak nader R.P. van Baaren, ‘Mogelijke verbetering van de landbouwstructuur op termijn’, in: FBN 1997/108.
Aldus Hof Leeuwarden 1 september 1978, ECLI:NL:GHLEE:1978:AX2602, BNB 1979/249.
Aldus Hof Den Bosch 31 oktober 2002, ECLI:NL:GHSHE:2002:AF0949, Notamail 2003/60.
De zogenaamde ‘WL-verklaring’. Let wel: deze verklaring zag enkel op het vereiste ‘verbetering landbouwstructuur’ en derhalve niet op de overige eisen van onderdeel q, waaronder m.n. de naburigheidseis. Aan deze eis dient separaat getoetst te worden, zo blijkt uit Hof Den Haag 26 maart 1998, ECLI:NL:GHSGR:1998:BM4721, alsmede Hof Den Haag 1 juni 2001, ECLI:NL:GHSGR:2001:AV6186.
Voorheen Dienst LASER geheten, daarvoor directeur Landbouw, Natuur en Openluchtrecreatie (LNO) en nog weer eerder Hoofd-ingenieur-Directeur (HID) van de Landinrichting, aldus S.B.J. van Heijst, ‘Vrijstellingen overdrachtsbelasting in de agrarische sfeer per 1 januari 1998 (1)’, p. 129. Tot 1 januari 2014 was de Dienst bekend als Dienst Regelingen (DR) en sinds die datum als Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl). Zie nader grenspost 1, hfdst. II, onderdeel A.3.C.
Aldus A.J. Janssen, ‘Artikel 15.1.q WBR omgeploegd?’, p. 7.
Zie A.J. Janssen, ‘Artikel 15.1.q WBR omgeploegd?’, p. 7.
Hof Arnhem 8 februari 1991, InfobuIL 91/287.
Zie uitgebreid onderdeel C.3 van het vorige hoofdstuk.
Zie grenspost 1, hfdst. II, onderdelen A.4.C en E.l.9, alsmede grenspost 2, hfdst. H, onderdelen B.3.C.1 en C.4.b.
H.F.R.M. van Thiel, ‘Verruiming vrijstelling overdrachtsbelasting voor aankoop naburig land’, p. 31 merkt in dit kader het volgende op: ‘Ook het notariaat zal niet rouwig zijn om het feit dat de verklaring verbetering van de landbouwstructuur door Laser is te komen vervallen. Het tijdrovende invullen van het aanvraagformulier is. evenals het nijver inkleuren met rood, geel, blauw en groen van het daarbij behorende topografische kaartje, niet meer nodig. Daarmee behoren één van de laatste genoegens uit onze kinderjaren definitief tot het verleden.’ Diverse notarisklerken, die deze ‘goede oude tijd’ hebben meegemaakt, zullen dit laatste volmondig kunnen beamea Van mijn promotor begreep ik dat ook hij in zijn tijd als (beginnend) kandidaat-notaris menige ‘kleurplaat’ heeft vervaardigd.
Voor een uitgebreid overzicht zij verwezen naar Fiscale Encyclopedie De Vakstudie Belastingen van rechtsverkeer, aant 6 (Lid 1 onderdeel q) Verbetering van de landbouwstructuur (tijdvak 1 ) bij: Wet op belastingen van rechtsverkeer, artikel 15. Zie tevens D. Albregtse, P. Kavelaars, R. van Ovost, H. van der Veen, G. Venema, Evaluatie van vrijstellingen voor de landbouw in de overdrachtsbelasting, bijlage 2.
Hof Leeuwarden 19 mei 1978, ECLI:NL:GHLEE:1978:AX2581, BNB 1979/162.
Aldus Hof Leeuwarden 1 september 1978, ECLI:NL:GHLEE:1978:AX2602, BNB 1979/249. Zie tevens hiervoor.
Hof Den Bosch 30 maart 1982, ECLI:NL:GHSHE:1982:AW9155, BNB 1983/163.
Het lijkt wel de aanvraag voor de goedkeuring van een kavelruil bij DLG, waar ook argumenten als afstandsverkorting en vermindering van de versnippering dikwijls werden gebruikt
HR 22 juli 1985, ECLI:NL:HR:1985:AW8224, BNB 1985/263.
Hof Arnhem 21 oktober 1988, Infobull. 89/47,
Hof Leeuwarden 13 oktober 1989, ECLI:NL:GHLEE:1989:AW1998, BNB 1991/156.
HR 12 september 1990, ECLI:NL:HR:1990:ZC4383.
A contrario geredeneerd levert een afname van de versnippering in beginsel wel een structuurverbetering op. Deze gedachte is ook volledig in lijn met één van de pijlers van het fenomeen landinrichting in Nederland (en kavelruil in het bijzonder): het tegengaan van de versnippering van (landbouw)gronden.
Hof Leeuwarden 4 oktober 1995, nr. 1783/93, PW 20609.
Zie J.P. Sturm, ‘Verbetering landbouwstructuur’, in: FBN 1993/123. Zie tevens Y.E. Gassler, M.LM. van Kempen, Cursus Belastingrecht, studenteneditie, Editie 2012-2013, § 2.3.27.B.d, alsmede A.J. Janssen, ‘Artikel 15.1.q WBR omgeploegd?’, p. 7.
Persbericht Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, nr. 79, V-N 1993, p. 3132, punt 30. Zie tevens J.P. Sturm, ‘Verbetering landbouwstructuur’,
O.a. S.B.J. van Heijst, ‘Vrijstellingen overdrachtsbelasting in de agrarische sfeer per 1 januari 1998 (1)’, P.129.
Aldus D. Albregtse, P. Kavelaars, R. van Ovost, H. van der Veen, G. Venema, Evaluatie van vrijstellingen voor de landbouw in de overdrachtsbelasting, p. 36.
Besluit van 18 februari 2005, nr. CPP2004/1011M, V-N 2005/13.17, Notamail 2005/65.
Ministerie van Financiën 20 november 2003, nr. WV 2003-00280 U, Notamail 2003/262. Aangezien er bijna twee jaar zit tussen aankondiging en publicatie van het begunstigende beleid, is over de casus die leidde tot de aankondiging in de tussentijd geprocedeerd. Zie Hof Arnhem 25 februari 2005, AWB 03/01914, niet gepubliceerd, Notamail 2005/38. Zie tevens R.P. van Baaren, ‘In hoeverre belemmert doorverkoop de vrijstelling verbetering landbouwstructuur1, in: FBN 2005/20.
Zie bijv. HR 30 november 1977, ECLI:NL:HR:1977:AX3179, BNB 1978/10. Zie tevens B.F. Preller, ‘Aankoop van verpachte grond en de vrijstelling van artikel 15.1.q WBR’, in: FBN 1999/41.
Dit is een groot verschil met de huidige, sinds 1 januari 2007 van kracht zijnde cultuurgrondvrijstelling, waar, zoals hierna in onderdeel C.4 zal blijken, het uiteindelijk gebruik van de grond de bepalende factor is.
Zie omtrent de afbakening tussen pacht en erfpacht art 7:399d BW.
Zie tevens H.J. van den Kerkhof, ‘De grenzen van het begrip “verbetering landbouwstructuur’’’.
Zie o.m. R.P. van Baaren, ‘Verbetering van de landbouwstructuur en gebruiksrechten van derden’, in: FBN 2005/59, redactie FBN, ‘Artikel 6a (oud) Uitvoeringsbesluit BR was in strijd met artikel 15.1.q (oud) WBR’, A.J. Janssen, ‘Artikel 15.1.q WBR omgeploegd?’, p. 7, alsmede M. Monteiro, ‘Landbouw- structuurvrijstelling bij voortzetting oude bedrijf gedurende één jaar’, in: NTFR 2009/458.
HR 13 juli 2007, ECLI:NL:HR:2007:AU9530, BNB 2007/271. Zie tevens onderdeel C3 hierna, alsmede hfdst. II, onderdeel C.3.c. Zie voor de (gecasseerde) Hofuitspraak Hof Amsterdam 29 april 2005, ECLI:NL:GHAMS:2005:AT5047, Notamail 2005/107. In dezelfde zin: Hof Arnhem 8 september 2004, ECLI:NL:GHARN:2004:AR3596, Notamail 2004/221. Zie tevens R.R van Baaren, ‘In hoeverre belemmert doorverkoop de vrijstelling verbetering landbouwstructuur’. Zie tevens HR 7 juli 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC5404, alsmede Hof Leeuwarden 25 maart 2005, ECLI:NL:GHLEE:2005:AT2844, Notamail 2005/85.
Zie tevens onderdeel C.4 hierna. Uit de conclusie van A-G Wattel d.d. 25 oktober 2013, ECLI:NL:PHR:2013:1152 blijkt overigens daf t.a.v. het in art. 5 lid 2 UBBR gestelde crediteringsmaximum voor de inbrengvrijstelling ex art. 15, lid 1, onderdeel e, WBR, deze nadere voorwaarde wel degelijk een wettelijke basis in art. 15, lid 1, onderdeel e, WBR vindt en de wetgever kennelijk, anders dan in de zaak HR 13 juli 2007 voor de vrijstelling van onderdeel q, wél de wens had een zo vergaande bevoegdheid aan de besluitgever te delegeren.
Zie Y.E. Gassler, M.L.M. van Kempen, Cursus Belastingrecht, studenteneditie, Editie 2012-2013, § 2.3.27.B.d.
Zie tevens HR 30 januari 1980, ECLI:NL:HR:1980:AX0065, alsmede H.F.R.M. van Thiel, ‘Verruiming vrijstelling overdrachtsbelasting voor aankoop naburig land’, p. 29.
Voorts moest de verkrijging van landerijen, om de vrijstelling van onderdeel q deelachtig te worden, in het belang zijn van de verbetering van de landbouwstructuur, een doelstelling die (mede) ten grondslag lag (en ligt) aan alle agro-fiscale vrijstellingen binnen de overdrachtsbelasting.1 Vanwege deze eis, die een stroom aan jurisprudentie en literatuur heeft opgeleverd, staat de oude q-vrijstelling ook wel bekend als de ‘vrijstelling verbetering landbouwstructuur’ of ‘landbouwstructuurvrijstelling’.
Ook deze eis was per 1 januari 2001 nader uitgewerkt in het Uitvoeringsbesluit Belastingen van Rechtsverkeer en wel in artikel 6a, lid 1, onderdeel b. Met de invoering van dit artikel was overigens niet beoogd de werking van de bestaande jurisprudentie te beperken.2 Van een verbetering van de landbouwstructuur was sprake als de verkrijger de verkregen landerijen bedrijfsmatig exploiteerde (er diende dus sprake te zijn van een agrarische onderneming; hobbyboeren kwamen derhalve per 1 januari 2001 niet langer in aanmerking voor de vrijstelling)3 en de afstand tussen de bedrijfsgebouwen en de verkregen landerijen maximaal 25 kilometer bedroeg.4 Gecombineerd met het hiervoor in onderdeel d besproken maximum van 10 kilometer ten aanzien van de naburigheidseis, had de staatssecretaris per 1 januari 2001 (eindelijk) klare wijn geschonken.5 Het nieuwe onderdeel q stond reeds in 2001 in de steigers, zo kan worden geconcludeerd naar aanleiding van deze (nieuwe) bedrijfsmatige exploitatie-eis.
De afstand van de bedrijfsgebouwen tot de verkregen landerijen diende op dezelfde wijze gemeten te worden als bij de naburigheidseis, zoals beschreven in het vorige onderdeel. Bovendien moesten de verkregen landerijen nog gedurende ten minste één jaar na de verkrijging als zodanig in gebruik zijn. Deze êênjaarseis was, net als de oppervlakte- en bezitseis, opgenomen ter voorkoming van misbruik.6 Door deze voorwaarde was het niet langer mogelijk om de verkregen landerijen korte tijd na de verkrijging voor niet-vrijgestelde doeleinden, waarbij met name gedoeld werd op substraatteelt, 7 aan te wenden.8 Wij ontwaren hier een voorzichtige aanzet tot een soort volgtermijn, die onder de nieuwe cultuurgrondvrijstelling volledig tot wasdom zal komen, zo zal hierna in onderdeel C.3 blijken.9 In dit verband is het dan ook niet vreemd dat, kort na de introductie van artikel 6a UBBR, in de (vak)Iiteratuur reeds het advies werd gegeven om, ingeval van directe doorlevering van (vrijgestelde) landerijen na aankoop, de verplichting om de grond gedurende de êênjaarstermijn niet aan het landbouwkundig gebruik te onttrekken in de ieveringsakte op te nemen als kwalitatieve verplichting, 10 Hier ontstaat wederom een mooie parallel met de huidige werkwijze ten aanzien van de cultuurgrondvrijstelling, alwaar, met het oog op de volgtermijn van tien jaar, ook gebruik wordt gemaakt van (onder meer) kwalitatieve verplichtingen. Ik verwijs de ongeduldige lezer reeds naar onderdeel C.3.
Aan het begrip ‘landbouwstructuur’ diende een ruime interpretatie te worden gegeven, zodat hier mede onder moest worden verstaan veeteelt-, tuinbouw- en bosbouw- structuur, in hun onderlinge samenhang bezien.11 Indien dit niet het geval was, zou de ruime omschrijving van het begrip ‘landerijen’ (gronden welke bestemd zijn voor agrarische doeleinden, zoals landbouw, tuinbouw, veeteelt en bosbouw) zonder ai te veel betekenis zijn.12 De aankoop van een stuk tuingrond zou alsdan immers vrijwel nooit kunnen bijdragen tot de verbetering van de landbouwstructuur.
Volgens § 37, lid 10 van de Toelichting WBR ging het bij deze eis om de vraag of de agrarische structuur in haar geheel bezien verbeterd werd. Op een structureel neutrale verkrijging was de vrijstelling daarom niet van toepassing.13 Alle voor de agrarische structuur relevante voor- en nadelen van de betreffende verkrijging moesten dus worden geïnventariseerd en afgewogen, voordat men een oordeel kon vormen of aan deze eis voldaan was. Het is dan ook een logische conclusie van de Hoge Raad14 dat de vrijstelling van toepassing was, indien door de verkrijging werd voorkomen dat de bestaande landbouwstructuur in de toekomst mogelijkerwijs zou verslechteren. Ook indien de bestaande structuur minder slecht werd door de aankoop, zonder dat elders een verslechtering van de landbouwstructuur was ontstaan, was de vrijstelling van toepassing.15 Het bestendigen van een slechte situatie kon echter niet als een verbetering, maar als een verslechtering van de landbouwstructuur worden bestempeld.16 Het was bovendien niet voldoende dat achteraf kon blijken dat de landbouwstructuur door de verkrijging was verbeterd, doordat een deel van de verkregen gronden, in tegenstelling tot het aanvankelijke met de verkrijging beoogde doel, alsnog voor landbouwkundige doeleinden zou worden gebruikt.17 Ook een aankoop die op zichzelf beschouwd niet in het belang van de verbetering van de landbouwstructuur was, kon niettemin in de vrijstelling delen. Voorwaarde was dan wel dat door een volgende aankoop, welke ten tijde van de eerste aankoop redelijkerwijs was te verwachten, wel een verbetering van de landbouwstructuur op zou treden bij de eerste aankoop.18 Kortom: het beoogde eindresultaat was doorslaggevend: als het eindresultaat voldeed aan alle eisen van de vrijstelling, was de weg naar de vrijstelling van onderdeel q vrij.19
Vóór de invoering van artikel 6a UBBR, derhalve tot 1 januari 2001, kon alleen aan de eis ‘verbetering landbouwstructuur’ worden voldaan, wanneer de verkrijger beschikte over een van het Ministerie van LNV afkomstige verklaring, waaruit bleek dat de verkrijging strekte ter verbetering van de landbouwstructuur.20 Deze verklaringen konden door belanghebbenden destijds worden aangevraagd bij het agentschap LASER.21 Vaak verzorgde de notaris namens partijen een dergelijke aanvraag.22 Wanneer een zodanige verklaring werd overgelegd, dan kon de inspecteur van de Belastingdienst er voor de toepassing van deze vrijstelling zonder nader onderzoek van uitgaan dat het vereiste belang voor verbetering van de landbouwstructuur aanwezig was. Mocht de inspecteur toch aan de juistheid van de verklaring twijfelen, dan schreef § 37, onderdeel g van de Toelichting WBR voor dat hij de vrijstelling voorlopig diende toe te passen en de zaak diende voor te leggen aan het Ministerie van Financiën. In de literatuur23 is wel gesteld dat § 37, onderdeel g Toelichting WBR (impliciet) bepaalde dat voor de toepassing van de eis ‘verbetering landbouwstructuur’ de inspecteur de kennis, benodigd voor de beantwoording van de vraag of voldaan was aan deze eis, niet in huis had. Hij moest immers verplicht te rade gaan bij LASER. Een ontkennend oordeel van LASER bond de inspecteur overigens niet: ook bij een weigering van de overlegging van de ‘WL-verklaring’ diende de inspecteur zelf te onderzoeken of de vrijstelling niet van toepassing is.24
Zie hier een fraaie parallel tussen de ‘WL-verklaring’, de goedkeuring van de kavelruil door DLG en de fiscale weerslag daarvan, waarbij in de plaats van ‘verbetering landbouwstructuur’ uiteraard ‘objectieve verbetering’ gelezen dient te worden. De inspecteur was, voor de standpuntbepaling omtrent de landbouwstructuur verplicht om het oordeel van LASER af te wachten. Voor kavelruilen onder de Landinrichtingswet diende de inspecteur de goed- of afkeuring van de kavelruil door DLG af te wachten, waarna hij, afhankelijk van de stand van zaken in fiscalibus in een bepaalde periode, nog een separate toetsingsmogelijkheid had. In het bijzonder gedurende de periode van de (tijdelijke) ‘indicatieve’ status van de goedkeuring voor de fiscale vrijstelling, 25 zijn de overeenkomsten met de fiscale dimensie van de ‘WL-verklaring’ opvallend te noemen. Het oordeel van LASER (het al of niet afgeven van de WL- verklaring) was in beginsel bepalend. Alsdan werd de verbetering landbouwstructuur geacht aanwezig te zijn. Een treffende overeenkomst met de fictie-achtige verschijnselen die op diverse plaatsen binnen de civielrechtelijke en fiscale dimensie van de kavelruil werden aangetroffen.26
Sinds de invoering van artikel 6a UBBR was de aanvraag van de WL-verklaring niet langer nodig.27 Wel bestond de mogelijkheid dat het agentschap LASER een bindend advies aan de inspecteur gaf met betrekking tot de vraag of de aankoop van de landerijen leidde tot een verbetering van de landbouwstructuur. De fiscus kon dus, ook na het vervallen van de verklaring, steeds blind varen op de kennis en expertise van LASER.
Net als bij de naburigheidseis het geval was, ontstond ook ten aanzien van de eis ‘verbetering landbouwstructuur’ en vóór de invoering van artikel 6a, lid 1, onderdeel b UBBR, een flinke stroom aan jurisprudentie. Een kleine selectie, ter bepaling van de sfeer:28
Hof Leeuwarden 19 mei 1978:29 niet voldoende is dat door de verkrijging de structuur van het bedrijf van de verkrijger verbetert. Er moet tevens worden gelet op de landbouwstructuur in het desbetreffende gebied in het algemeen;
Hof Leeuwarden 1 september 1978:30 een aankoop die op zichzelfbeschouwd niet in het belang van de verbetering van de landbouwstructuur is, kan toch in de vrijstelling delen, indien door een ten tijde van de eerste aankoop redelijkerwijs te verwachten volgende aankoop wel een verbetering van de landbouwstructuur optreedt;
Hof Den Bosch 30 maart 1982:31 ondanks de weigering tot afgifte van een verklaring door de HID van de Landinrichting is toch sprake van verbetering van de landbouwstructuur, aangezien door de verkrijging ongewenste versnippering van landerijen is verminderd, er sprake is van afstandsverkleining tot de huiskavel32 en eigendom in de plaats is gekomen van mondelinge pacht van los land;
Hoge Raad 22 juli 1985:33 ook de verkrijging van de eigendom van reeds in erfpacht bezeten landerijen kan onder omstandigheden de verbetering van de landbouwstructuur bevorderen;
Hof Arnhem 21 oktober 198 8:34 belanghebbende heeft twee percelen land in eigendom. Hij verkrijgt een naastgelegen perceel. Ondanks de overduidelijke naburigheid ten opzichte van de oude percelen, levert de verkrijging geen verbetering van de landbouwstructuur op, gezien de afstand van tien kilometer tussen het aangekochte land en belanghebbendes bedrijfsgebouwen;
Hof Leeuwarden 13 oktober 1989:35 een 79-jarige verkrijger verkrijgt de door hem reeds gedurende twintig jaar gepachte landerijen. Ondanks dat de indruk bestaat dat sprake is van een afbouwend bedrijf, neemt het Hof aan dat het een op instandhouding gerichte, bedrijfseconomische eenheid betreft. Er is derhalve sprake van verbetering van de landbouwstructuur;
Hoge Raad 12 september 1990:36 onder meer de toename van de versnipperde ligging van belanghebbendes grondareaal door de verkrijging is niet in het belang van een verbetering van de landbouwstructuur;37
Hof Leeuwarden 4 oktober 1995:38 belanghebbende verkrijgt een perceel, gelegen op 25 meter van reeds in zijn bezit zijnde landerijen en op zesenhalve kilometer van de bedrijfsgebouwen. Ondanks grote afstand tussen het aangekochte land en belanghebbendes bedrijfsgebouwen is toch sprake van een verbetering van de landbouwstructuur.
Vóór de invoering van het voornoemde artikel had de wetgever al eens geprobeerd om duidelijkheid te scheppen. Met ingang van 1 oktober 1993 werden namelijk de afstandscriteria, die door het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij werden gehanteerd voor de afgifte van een ‘verklaring verbetering landbouwstructuur’, verruimd.39 De volgende criteria golden:
glastuinbouwbedrijven: maximaal evenveel kilometers als het aantal verkregen hectares grond. De afstand mocht echter niet meer bedragen dan tweeënhalve kilometer;
overige bedrijven met een oppervlakte tot vijf hectare: maximaal twee keer zoveel kilometers als het aantal verkregen hectares grond. De afstand mocht echter niet meer bedragen dan vijf kilometer;
overige bedrijven met een oppervlakte van vijf hectare of meer: maximaal evenveel kilometers als het aantal verkregen hectares grond. De afstand mocht echter niet meer bedragen dan tien kilometer;
voor de overige bedrijven diende de verkregen oppervlakte ten minste 0, 25 hectare te bedragen.40
Uit deze opsomming blijkt dat er van de verwachte duidelijkheid in de praktijk weinig terechtkwam. Ook de verruimde normen, die overigens, in tegenstelling tot hetgeen door sommige auteurs41 werd verkondigd, volledig los stonden van de afstandscriteria ten aanzien van de naburigheidseis, leverden veel jurisprudentie op.
Pas vanaf 1 januari 2001 was de situatie voor eenieder duidelijk en kenbaar, door de invoering van artikel 6a, lid 1 UBBR. De vraag die echter gesteld kan worden is of de ‘afstandsbepalingen’ uit het Uitvoeringsbesluit niet enigszins rigide waren in het licht van de benodigde (toekomstige) schaalvergroting binnen de landbouw: hoewel voor de meeste bedrijven, zeker binnen de melkveehouderij, deze schaalvergroting zou plaatsvinden binnen een straal van 25 kilometer van de bedrijfsgebouwen, hoefde dit binnen een aantal andere sectoren niet per definitie het geval te zijn: enkele grootschalige akkerbouwbedrijven zouden bijvoorbeeld in hun uitbreidingsbehoefte geremd kunnen worden door het afstandscriterium, waardoor de structuurverbetering in relatie tot het economisch perspectief enigszins zou kunnen worden belemmerd.42 Ter gelegenheid van de hierna in onderdeel C.2 te bespreken wijziging van onderdeel q, is het afstandscriterium geheel vervallen, waardoor dit (potentiële) remmende effect op de schaalvergroting sinds 1 januari 2007 niet meer aanwezig is.
De in de praktijk nog bestaande vragen werden door de staatssecretaris in een vraag- en antwoordenbesluitvan 18 februari 2005 behandeld.43 Het besluit, aangekondigd in een brief van 20 november 2003, 44 werkte terug tot 1 januari 2003. De vragen die in de praktijk gesteld werden hadden voornamelijk betrekking op de gevolgen van het nieuwe, in het Uitvoeringsbesluit neergelegde beleid ten aanzien van gebruik door een ander dan de verkrijger van de verkregen landbouwgrond, waarbij veelal de pachter de uiteindelijke gebruiker was. De staatssecretaris gaf in antwoord op de vragen aan als uitgangspunt te hanteren dat de verkregen landerijen in exploitatie moesten worden genomen binnen de agrarische onderneming van de verkrijger. Deze visie, die een afwijking van de bestaande rechtspraak inhield, 45 was gebaseerd op de inhoud van artikel 6a lid 1 onderdeel b UBBR, waar met zoveel woorden vermeld stond dat de verkrijger de landerijen zelf bedrijfsmatig diende te exploiteren. De belegger die de gronden verwierf en vervolgens verpachtte, kwam om die reden volgens de staatssecretaris niet in aanmerking voor de vrijstelling. Het uiteindelijk gebruik van de landbouwgronden was derhalve niet relevant.46
De vrijstelling kon echter, met toepassing van de hardheidsclausule, toch van toepassing zijn in een aantal gevallen waarin de verkrijger de verkregen grond (deels) in gebruik gaf aan anderen, zo besliste de staatssecretaris in het besluit Een van deze gevallen betrof de hiervoor vermelde belegger die de landerijen na verwerving via een langlopend pachtcontract of een langlopend erfpachtrecht47 in gebruik gaf aan een persoon (of personenvennootschap) ter vergroting van diens bedrijfsmatig gebruikte landerijen. Een dergelijke (particuliere of institutionele) belegger had toch recht op de vrijstelling, mits hij voldeed aan de naburigheidseis en de êênjaarstermijn en mits de landerijen maximaal 25 kilometer verwijderd lagen van de bedrijfsgebouwen van de (erfjpachter. Onder (nagenoeg) dezelfde voorwaarden had ook de verkrijger van landerijen, die de grond direct na de verkrijging in gebruik gaf aan een personenvennootschap waarin hij zelf medevennoot was, recht op de vrijstelling.48
De nieuwe visie, waarbij de bedrijfsmatige exploitatie door verkrijger zelf diende te geschieden en er, los van de hiervoor goedkeuringen, niet langer ruimte bestond om te kijken naar het uiteindelijke gebruik van de landerijen, leverde, ook na de publicatie van het goedkeurende beleid, een storm aan kritiek in de literatuur op.49 Ook de rechtspraak liet zich niet onbetuigd: de Hoge Raad besliste op 13 juli 20 0750 dat de eis uit 6a lid 1 onderdeel b UBBR ten onrechte gesteld werd. Het begrip ‘verbetering van de landbouwstructuur’ werd daardoor onnodig beperkt. De bedrijfsmatige exploitatie diende als eis te blijven gelden, maar de extra voorwaarde, inhoudende dat deze exploitatie door de verkrijger zelf diende plaats te vinden werd als onverbindend bestempeld.51
Zoals hiervoor in onderdeel d in fine aangegeven, konden de eisen uit artikel 6a, lid 1, onderdeel b UBBR niet los worden gezien van de in onderdeel a van hetzelfde artikel opgenomen eisen voor naburigheid.52 Het vereiste van naburigheid kwam namelijk, behalve als zelfstandig criterium (zie het vorige onderdeel), ook aan de orde als onderdeel van de toets of sprake is van verbetering van de landbouwstructuur.53 De afstand van de bedrijfsgebouwen tot de verkregen landerijen (die, zoals gezegd, maximaal 25 kilometer mocht bedragen) werd daarbij op dezelfde manier gemeten als bij het naburigheidscriterium.