Einde inhoudsopgave
Aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker (R&P nr. CA18) 2018/3.3.3.2
3.3.3.2 De ‘Loretta-regel’ geldt ook voor roerende zaken en opstallen
mr. A. Kolder, datum 16-03-2018
- Datum
16-03-2018
- Auteur
mr. A. Kolder
- JCDI
JCDI:ADS300392:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook hoofdstuk 7, waar ik zal betogen dat (ook) ter toepassing van het gebruiksbegrip van art. 6:181 onderscheid gemaakt moet worden tussen de door art. 6:173, 174 en 179 bestreken verschillende gevaarsobjecten. Kort gezegd meen ik dat iemand eerder als ‘gebruiker’ van een dier ex art. 6:181 kwalificeert dan als ‘gebruiker’ van een roerende zaak of opstal, terwijl iemand weer eerder als ‘gebruiker’ van een roerende zaak kwalificeert dan van een opstal.
Geoordeeld werd dat art. 6:174 niet enkel bescherming biedt aan ‘derden’ maar ook aan de gelaedeerde medebezitter zelf (Hangmat), terwijl laatstgenoemde wel buiten het beschermingsbereik van art. 6:179 valt (Paard Imagine). In lijn hiermee is Rb. Den Haag 4 maart 2015, JA 2015/79 (Hond Jengo). Zorgvuldigheidshalve zij vermeld dat ik in deze pocedures optrad als raadsman van de slachtoffers.
In dezelfde zin en onder verwijzing naar het Loretta-arrest op het terrein van art. 6:173 jo. 181 is Rb. Utrecht 25 juli 2012, NJF 2012/412 (ProRail/Schenker). Zie voorts Rb. Arnhem 22 juni 2011,ECLI:NL:RBARN:2011:BR1090 (Stroomverdeelkast).
Deze bepaalt dat de bedrijfsmatige gebruiker van een opstal aansprakelijk is, tenzij het ontstaan van de schade niet met de bedrijfsuitoefening in verband staat.
De Hoge Raad oordeelde dat het ontstaan van ‘de schade’ in art. 6:181 lid 1 gelezen moet worden als het ontstaan van ‘het gebrek’. Zie nader par. 7.5.6.1.
Inmiddels volgde in HR 24 november 2017, RvdW 2017/1278 (Schavemaker/Planet c.s.) een – voor nu niet relevante – precisering van het arrest DB/Edco, waarover nader par. 7.6.5.1 e.v.
Verheij 2015, p. 122; Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-IV 2015/213, 229-230, 232, 238-239 en 256; Spier e.a. 2015/130; Klaassen 1991, p. 84-85, 112, 147; Oldenhuis, GS Onrechtmatige daad, art. 6:174, aant. 131.1 en art. 6:181, aant. 6 en 11.5; Bauw 2015/12, 24-25 en 64.
In deze paragraaf wordt aandacht besteed aan de vraag of de exclusieve werking van art. 6:181 ten opzichte van art. 6:179 ook geldt ten opzichte van art. 6:173 en 174. Bij de toepassing van art. 6:181 lijkt differentiatie namelijk mogelijk al naargelang het om het ene of het andere gevaarsobject gaat. Zo bepaalt de tenzij- clausule in art. 6:181 lid 1 bijvoorbeeld dat ten opzichte van roerende zaken en dieren voor opstallen strengere eisen gelden om iemand aansprakelijk te kunnen achten als bedrijfsmatige gebruiker.1 Differentiatie in het kwalitatieve aansprakelijkheidsrecht tussen (in ieder geval) opstallen en dieren zien we ook in HR 8 oktober 2010, NJ 2011/465, m.nt. Hartlief (Hangmat) en HR 29 januari 2016, NJ 2016/173, m.nt. Hartlief (Paard Imagine).2 Niettemin wordt de in het Loretta-arrest met betrekking tot schadeveroorzakende dieren uit art. 6:179omschreven ‘verlegging’ van aansprakelijkheid op grond van art. 6:181, in de feitenrechtspraak inmiddels ook toegepast op schadeveroorzakende roerende zaken uit art. 6:173. In Rb. Den Bosch 13 juli 2011, JA 2011/164 (Val van steiger) vond een arbeidsongeval plaats te wijten aan een gebrekkige steiger. Omtrent de verhouding tussen de aansprakelijkheid van de bezitter en bedrijfsmatige gebruiker uit art. 6:173 en 181 overwoog de rechtbank in algemene zin als volgt:
‘Dat de steiger bedrijfsmatig werd gebruikt betekent dat, indien sprake is van aansprakelijkheid wegens gebrekkigheid van die steiger, die aansprakelijkheid ligt bij de bedrijfsmatige gebruiker van die zaak en niet (tevens) bij de bezitter van de steiger. Artikel 6:181 BW heeft exclusieve werking in die zin dat geen sprake is van cumulatie van aansprakelijkheid van bezitter en bedrijfsmatig gebruiker. (...) Dat cumulatieve aansprakelijkheid van bezitter en bedrijfsmatig gebruiker is uitgesloten blijkt uit een recent arrest van de Hoge Raad van 1 april 2011 (LJN: BP1475) betreffende het paard Loretta, waarin de Hoge Raad uitdrukkelijk aangeeft dat en waarom toepasselijkheid van artikel 6:181 BW leidt tot verlegging en niet tot cumulatie van aansprakelijkheid.’ (curs. AK)
De rechtbank haalt niet enkel de ‘Loretta-regel’ aan – een ‘verlegging’ van aansprakelijkheid –, maar drukt zich ook uit in termen passend bij samenloop: cumulatieve aansprakelijkheid van de bezitter en bedrijfsmatige gebruiker is niet aan de orde, want art. 6:181 heeft exclusieve werking.3 Het ‘doortrekken’ van de Loretta-regel naar ook de in art. 6:173 bedoelde roerende zaken acht de rechtbank kennelijk vanzelfsprekend.
Hoewel – voor zover kon worden nagaan – sinds het Loretta-arrest nog geen (principiële) rechtspraak is verschenen over de verhouding tussen de bezitter en bedrijfsmatige gebruiker van een opstal uit art. 6:174 en 181, lijkt de ‘Loretta- regel’ ook dienaangaande mee te brengen dat steeds hetzij de bezitter hetzij de bedrijfsmatige gebruiker kwalitatief aansprakelijk is. Dit valt op te maken uit HR 26 november 2010, NJ 2010/636 (DB/Edco). In deze zaak stortte het dak van een opslaghal van DB in door overbelasting van het dak wegens een gebrek in de hemelwaterafvoer. Hierdoor ontstond schade aan in de hal opgeslagen goederen van Edco. Laatstgenoemde sprak DB als eigenaar/bezitter van de gebrekkige hal aan ex art. 6:174. DB verweerde zich met de stelling dat de hal ten tijde van de instorting bedrijfsmatig werd gebruikt door DVT ex art. 6:181 als huurder, zodat niet op haar als bezitter maar op DVT als bedrijfsmatige gebruiker de kwalitatieve aansprakelijkheid rustte. Het debat spitste zich toe op de uitleg die gegeven moest worden aan de specifiek voor opstallen in lid 1 van art. 6:181 opgenomen tenzij-clausule.4 Het hof oordeelde dat nu het ontstaan van het gebrek in het dak niet in relevant verband stond met de bedrijfsuitoefening van DVT (de opslag van goederen), niet DVT als bedrijfsmatige gebruiker maar DB als bezitter van de opstal was belast met de aansprakelijkheid van art. 6:174. In cassatie verduidelijkte de Hoge Raad allereerst de werking van de tenzij-clausule in lid 1 van art. 6:181,5 om vervolgens zijn zegel te hechten aan ’s hofs oordeel.6 Hoewel de Hoge Raad niet expliciet oordeelde dat telkens óf de bezitter óf de bedrijfsmatige gebruiker van een opstal kwalitatief aansprakelijk is, valt een dergelijke systematiek wel uit zijn arrest af te leiden. Indien de Hoge Raad namelijk zou hebben gemeend dat een cumulatieve aansprakelijkheid van de bezitter én bedrijfsmatige gebruiker uit art. 6:174 en 181 mogelijk is, had hij in deze zaak de werking van het slot van lid 1 van art. 6:181 niet hoeven onderzoeken. Edco sprak in rechte immers niet DVT als bedrijfsmatige gebruiker aan, maar (enkel) DB als bezitter van de opstal. Aandacht voor de toepassing van art. 6:181 betreffende opstallen is in gevallen waarin enkel de bezitter daarvan wordt aangesproken alleen relevant, indien wordt uitgegaan van een door art. 6:181 bewerkstelligde ‘verlegging’ van de aansprakelijkheid ex art. 6:174 (of beter: een exclusieve werking van art. 6:181 ten opzichte van art. 6:174). Indien DB in de ogen van de Hoge Raad als bezitter van de opstal aansprakelijk kon zijn náást DVT als eventueel bedrijfsmatige gebruiker daarvan – een cumulatieve aansprakelijkheid derhalve –, had de Hoge Raad in het midden kunnen laten of art. 6:181 (inclusief tenzij-clausule) de aansprakelijkheid uit art. 6:174 (ook) deed rusten op DVT als eventueel bedrijfsmatige gebruiker. Uit het feit dat de Hoge Raad in deze art. 6:174-zaak toch inging op de toepassing van art. 6:181, kan daarom opgemaakt worden dat zijns inziens voor art. 6:174 jo. 181 eveneens geldt dat cumulatieve aansprakelijkheid van de bezitter en bedrijfsmatige gebruiker is uitgesloten, alsmede dat art. 6:181 – voor wat betreft de aansprakelijke persoon – óók exclusieve werking heeft ten opzichte van art. 6:174.
Dat voor de in art. 6:181 lid 1 genoemde roerende zaken, opstallen en dieren gelijkelijk geldt dat steeds óf de bezitter óf de bedrijfsmatige gebruiker is belast met de kwalitatieve aansprakelijkheid, acht ik juist. Ten eerste laat de wetsgeschiedenis op dit punt geen ruimte voor differentiatie, aangezien de artikelen 6:173, 174 en 179 in relatie tot art. 6:181 telkens over één kam worden geschoren: de totstandkomingsgeschiedenis toont dat in geval van toepasselijkheid van art. 6:181 is getracht steeds een ‘centraal adres’ voor kwalitatieve aansprakelijkheid te bieden, of het nu gaat om roerende zaken, opstallen of dieren. Het is deze parlementaire geschiedenis waarnaar de Hoge Raad in het Loretta-arrest ook verwijst bij zijn oordeel dat steeds hetzij de bezitter hetzij de bedrijfsmatige gebruiker aansprakelijk is. In het Paard Imagine-arrest, waaruit een bevestiging van deze rechtsregel volgt, treffen we een verwijzing naar diezelfde wetsgeschiedenis aan. Dat de Hoge Raad zijn overwegingen in de twee zojuist genoemde arresten heeft toegespitst op alleen de in art. 6:179 bedoelde dieren, heeft te maken met het feit dat de beide voorliggende kwesties daar nu eenmaal over handelden. Duidelijk is niettemin dat de Hoge Raad in dit verband de bredere bedoeling van de wetgever, die voor art. 6:173 en 174 in relatie tot art. 6:181 op hetzelfde neerkomt als voor art. 6:179, heeft willen volgen. Voorts zou differentiatie in de werking van art. 6:181 ten opzichte van de afzonderlijke artikelen 6:173, 174 en 179 juridisch-inhoudelijk niet logisch voorkomen. De in de wetsgeschiedenis genoemde en in het Loretta- en Paard Imagine-arrest omarmde argumenten voor een concentratie van aansprakelijkheid bij de bedrijfsmatige gebruiker op grond van art. 6:181 (opspoorbaarheid, eenheid, profijt en verzekerbaarheid) gaan niet alleen op wanneer dieren maar ook zodra roerende zaken of opstallen schade veroorzaken in het kader van bedrijfsmatig gebruik. Ook geldt voor het geval waarin door de bezitter niet een dier maar een zaak voor bedrijfsmatig gebruik aan een ander ter beschikking wordt gesteld, het in beginsel de bedrijfsmatige gebruiker en niet (meer) de bezitter is die in de beste positie verkeert de aan de zaak verbonden risico’s te beïnvloeden. Weinig verrassend is derhalve dat sinds de verschijning van het Loretta-arrest ook in de literatuur voetstoots – in die zin dat geen enkele auteur überhaupt lijkt stil te staan bij de (theoretische) mogelijkheid dat wat daarin voor art. 6:179 jo. 181 is uitgemaakt niet automatisch ook zou opgaan voor art. 6:173 en 174 jo. 181 – wordt aangenomen dat of nu een roerende zaak, opstal of dier in de uitoefening van een bedrijf wordt gebruik, in geval van bedrijfsmatig gebruik telkens geen kwalitatieve aansprakelijkheid op de bezitter rust maar (enkel) op de bedrijfsmatige gebruiker.7
Voor de goede orde merk ik nog op dat de zojuist genoemde, enkel voor opstallen geldende tenzij-clausule in art. 6:181 lid 1 niet eraan kan afdoen dat de in art. 6:173, 174 en 179 bedoelde zaken op één lijn worden gesteld als het aankomt op de exclusieve werking van art. 6:181: bedoelde clausule ziet immers op de (voor)vraag óf art. 6:181 überhaupt toepasselijk is en illustreert dat in die fase (wel) differentiatie mogelijk is al naargelang het om het ene of het andere door art. 6:173, 174 en 179 bestreken gevaarsobject gaat. Voor de differentiatie in het zojuist genoemde Hangmat-arrest en het arrest Paard Imagine geldt dat die betrekking heeft op (relativiteits)vragen – is ‘onderlinge’ kwalitatieve aansprakelijkheid van medebezitters en bedrijfsmatige medegebruikers mogelijk? – waaraan pas wordt toegekomen nádat door het stelsel van art. 6:173, 174, 179 jo. 181 de aansprakelijke persoon is aangewezen. Kortom, treedt art. 6:181 eenmaal in werking, dan heeft deze bepaling ten opzichte van alle drie art. 6:173, 174 en 179 in gelijke zin exclusieve werking. Differentiëren tussen de door deze artikelen bestreken verschillende gevaarsobjecten is echter wel mogelijk bij de (voor)vraag óf art. 6:181 toepassing vindt, alsook bij de (vervolg)vraag of een eenmaal binnen het stelsel van art. 6:173, 174 en 179 jo. 181 als aansprakelijk aangewezene ook zélf bescherming aan de betreffende bepaling kan ontlenen.