Einde inhoudsopgave
Bestuurdersaansprakelijkheid in theorie (IVOR nr. 108) 2017/3.7.3
3.7.3 Onbehoorlijke taakvervulling van ‘het bestuur’ of van individuele ‘bestuurders’?
mr. W.A. Westenbroek, datum 01-09-2017
- Datum
01-09-2017
- Auteur
mr. W.A. Westenbroek
- JCDI
JCDI:ADS349735:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Art. 2:138/248 lid 1 BW spreekt van ‘kennelijk onbehoorlijke taakvervulling’ terwijl lid 2, 3, 4 en 6 spreken van ‘onbehoorlijke taakvervulling’.
Kamerstukken II 1983/84, 16 631, nr. 6 (MvA), p. 36.
In het Voorontwerp Insolventiewet 1 november 2007 van de Commissie Insolventierecht 2007 (S.C.J.J. Kortmann, B. Wessels, J.W. Winter e.a.), dat weliswaar niet heeft geleid tot de daarin beoogde verplaatsing van art. 2:138/248 BW naar de Faillissementswet, is in dit verband opgemerkt (p. 179) dat, in afwijking van art. 2:138/248 BW, in het voorgestelde art. 8.2 werd gesproken over onbehoorlijke taakvervulling door een bestuurder en niet door het bestuur: “Daarmee wordt duidelijker dan voorheen tot uitdrukking gebracht dat ook bij een meerhoofdig bestuur kennelijk onbehoorlijke taakvervulling door éé n van de bestuurders, vanwege het collegiale karakter van het bestuur, leidt tot onbehoorlijke taakvervulling door het bestuur.”
Zie in dit verband: Huizink 2011, p. 7 waarin hij over het huidige art. 2:9 BW, dat op 1 januari 2013 in werking is getreden maar zich toen nog in de fase van een wetsvoorstel bevond, nog schreef: “Ik denk dat schending van art. 2:9 lid 1, eerste volzin, net als onder het huidige art. 2:9 BW [oud] betekent dat er dan sprake is van onbehoorlijke taakvervulling door het bestuur als college. Dat impliceert dat “onbehoorlijk bestuur” in art. 2:9 lid 2, tweede volzin, van het wetsvoorstel op dezelfde wijze moet worden gelezen als onbehoorlijke vervulling van zijn taak in art. 2:9 lid 1, eerste volzin. Het voorgestelde art. 2:9 beoogt immers niet twee verschillende vormen van bestuurdersaansprakelijkheid te vestigen. Wat dat aangaat lijkt het huidige art. 2:9 BW consistenter dan art. 2:9 volgens het Wetsvoorstel Bestuur en Toezicht. Het is niet handig om in éé n wetsbepaling te refereren aan behoorlijke taakvervulling van elke bestuurder enerzijds en onbehoorlijk bestuur anderzijds.” Ik onderken overigens dat in de literatuur wordt betoogd dat de term ‘behoorlijke taakvervulling’ ziet op de verantwoordelijkheid van de bestuurder om zijn taak behoorlijk te vervullen, maar dat het tekortschieten in die verantwoordelijkheid nog niet tot onbehoorlijk bestuur en dus tot aansprakelijkheid leidt. Zie bijvoorbeeld: Asser/Maeijer 2-III 2000/320; Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009/439; Kroeze, Timmerman & Wezeman 2007, p. 145 e.v.; Wezeman 2010, p. 96; Assink & Slagter 2013, Compendium Ondernemingsrecht, p. 101. Ik deel die visie niet en zal daar later in par. 5.3.3 op terugkomen.
De termen ‘onbehoorlijk bestuur’ als bedoeld in art. 2:9 lid 2 BW en ‘kennelijke onbehoorlijke taakvervulling door het bestuur’ als bedoeld in art. 2:138/ 248 lid 1 BW1 betreffen kwalificaties die het gehele bestuursorgaan raken. De term ‘gehouden tot een behoorlijke vervulling van zijn taak’ uit art. 2:9 lid 1 BW betreft daarentegen een kwalificatie die de individuele bestuurder raakt. Ten tijde van de totstandkoming van de parlementaire geschiedenis van art. 2:138/ 248 BW bestond art. 2:9 lid 2 BW nog niet, maar bestond het vrijwel gelijkluidende art. 2:8 BW waarin uitsluitend werd gesproken over een gehoudenheid van de individuele bestuurder ‘tot een behoorlijke vervulling van de hem opgedragen taak’ (zie par. 3.2). Het verschil in de terminologie van beide bepalingen leidde tot vragen die de Minister als volgt beantwoordde:
“De leden van de fractie van D’66 wijden nog uitvoerige beschouwingen aan de verschillen tussen artikel 8 en het voorgestelde artikel 138, waarbij zij er op wijzen dat het in artikel 8 gaat om de afzonderlijke bestuurders, terwijl er in artikel 138 sprake is van onbehoorlijke taakvervulling door het bestuur. Zij menen dat hier van een vergissing sprake moet zijn, (…). Wat dit betreft merk ik in de eerste plaats op, dat ook al spreekt artikel 8 van een gehoudenheid van iedere individuele bestuurder tot behoorlijke taakvervulling, daarmee uiteraard niet wordt ontkend dat ook het bestuur als geheel tot een dergelijke behoorlijke taakvervulling gehouden is. Voorts stel ik met de aan het woord zijnde leden vast, dat in de theorie het beginsel van de collectieve verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid van het bestuur voor het bestuursbeleid wordt aangenomen en dat die beleidsbepaling steeds een aangelegenheid is die, in de woorden van artikel 8, tot de werkkring van alle bestuurders behoort. In het voorgestelde artikel 138 (248) wordt op die gedachtegang voortgebouwd en uitdrukkelijk uitgegaan van een collectieve verantwoordelijkheid van het bestuur voor met name het financiële beleid van de vennootschap.”2
Van een vergissing was dus geen sprake. De wetgever beoogde slechts het reeds bestaande beginsel van collectieve verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid, waar art. 2:9 BW van uitging (zie hiervoor par. 3.6), concreter vast te leggen in art. 2:138/248 BW. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dan ook dat de Minister zowel de term ‘onbehoorlijk bestuur’ als de term ‘onbehoorlijke taakvervulling’ hanteert in het kader van art. 2:138/248 BW, terwijl die bepaling zelf uitsluitend spreekt van ‘onbehoorlijke taakvervulling’. Dat in art. 2:9 BW wordt gesproken van een gehoudenheid tot een behoorlijke vervulling van de taak van een individuele ‘bestuurder’ en in art. 2:138/248 BW van onbehoorlijke taakvervulling van ‘het bestuur’, betekent dus niet dat daarmee een verschillende benadering is beoogd.3 Als een individuele bestuurder zijn taak onbehoorlijk heeft vervuld is per definitie sprake van onbehoorlijk bestuur en dus van aansprakelijkheid van hemzelf en van het bestuursorgaan als collectief, waarbij individuele medebestuurders die deel uitmaken van dat orgaan zich kunnen disculperen.4