Einde inhoudsopgave
De prioriteitsregel in het vermogensrecht (AN nr. 167) 2018/8.2.3.2
8.2.3.2 Hypotheek voor overbedelingssom bij verdeling
mr. L.M. de Hoog, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. L.M. de Hoog
- JCDI
JCDI:ADS388307:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
De strekking is dezelfde als die van de hypotheek voor onbetaalde kooppenningen. In beide gevallen gaat het om het waarborgen van de onbetaald gebleven tegenprestatie.
Zie Asser 1838, p. 438. Vgl. het huidige art. 2374, derde alinea Cc, oorspronkelijk neergelegd in art. 2109 Cc (oud).
In het ontwerp Meijers kwam ook deze bepaling vrijwel woordelijk overeen met het oude recht. De wetsbepaling is uiteindelijk met kleine wijzigingen ingevoerd. Zie PG Boek 3 BW, p. 809-811. De koppeling met de hypotheek voor onbetaalde kooppenningen is daarmee blijven bestaan.
Er dient overigens naar Frans recht wel inschrijving plaats te vinden, zie art. 2426 Cc. Zie voor de rang art. 2381 Cc.
Onder oud BW gold ook hier de termijn van acht dagen en zag de bescherming alleen op hypotheken. Zie PG Boek 3 BW, NvW, p. 810.
Naar Frans recht heeft een verdeling – evenals naar oud BW – terugwerkende kracht. Daarmee is een hypotheekrecht dat door een deelgenoot op zijn aandeel wordt gevestigd slechts voorwaardelijk geldig. Indien het gemeenschapsgoed aan de ander wordt toegedeeld, is de hypotheek nietig. Zie hierover Van Hemel, diss. 1998, p. 59 e.v. Vgl. het huidige art. 3:177 lid 1 BW.
De wet bepaalt in art. 3:177 lid 3 BW dat de hypotheek wordt gevestigd op ‘het hem toegedeelde’. Het wettelijk uitgangspunt is dat de verkrijgende deelgenoot het goed verkrijgt en niet slechts het aandeel dat voor de verdeling aan de uittredende deelgenoot toebehoorde. Zie PG Inv. Boek 3 BW, p. 1299 bij art. 3:186 in combinatie met art. 3:182 BW. De hypotheek rust derhalve op het goed.
Zie PG Boek 3 BW, MvA II, p. 603.
Zie Huijgen 2016/12.1 en Asser/Van Mierlo 3-VI 2016/356.
Het is natuurlijk ook mogelijk dat er meerdere deelgenoten overblijven – vgl. de definitie van verdeling in art. 3:182 lid 1 BW – in welk geval het hypotheekrecht komt te rusten op het goed voor zover dit door de overblijvende deelgenoten wordt verkregen.
Het voorbeeld van Heisterkamp in Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012/437 berust daarmee op een misvatting.
Het Franse privilege is gebaseerd op de gelijkheid van de deelgenoten en de verrijking van de deelgenoot aan wie het goed wordt toegedeeld. Zie Aynès & Crocq 2017, nr. 706. Daarmee strookt niet dat ook derden die de overbedelingsschuld financieren een bevoorrechte positie kunnen verkrijgen.
Anders Asser/Perrick 3-V 2015/177 die de gelijktijdige vestiging aldus begrijpt dat in de akte van levering het recht van hypotheek dient te worden gevestigd.
Voor het geval van een overdracht onder voorbehoud van een beperkt recht biedt art. 24 lid 4 Kadw uitdrukkelijk de mogelijkheid om te volstaan met één akte, mits de vestiging van het beperkte recht afzonderlijk is vermeld. De beschikkingsbevoegdheid vormt in dit geval geen beletsel omdat de wetgever deze overdracht bewust construeert als de overdracht van de blote eigendom, zodat het beperkte recht het vermogen van de verkrijger niet passeert.
Dat gelijktijdige inschrijving ook hier een beschikkingsbevoegdheidsprobleem kan veroorzaken – eerst door inschrijving gaat immers de eigendom over – leidt in de praktijk niet tot problemen. Zie Van Velten 2015, p. 337. Zie Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012/848 over de toepassing van convalescentie (alwaar dit begrip overigens niet wordt onderscheiden van bekrachtiging). Zie over de toepassing van art. 3:58 BW in het kader van de geldige totstandkoming van een pandrecht HR 28 november 2014, NJ 2016/90, m.nt. H.J. Snijders, r.o. 3.6.2.
Een dergelijke bijzondere voorrang voor de hypotheek die hierboven is besproken kent de wet eveneens toe aan de hypotheek tot waarborg van de bij een verdeling schuldig gebleven overbedelingssom. Het gaat om het geval waarin een gemeenschappelijke onroerende zaak aan een of meer deelgenoten wordt toegedeeld en de schuld die als gevolg van de toedeling ontstaat niet aanstonds wordt voldaan. De uittredende deelgenoot kan bij de verdeling een hypotheek bedingen op het verdeelde goed tot waarborg van de schuldig gebleven overbedelingssom. Deze hypotheek heeft dan zonder rekening te houden met art. 3:21 lid 2 BW voorrang op tegelijkertijd ingeschreven rechten. Hiermee wordt beoogd de (ex-)deelgenoot die een onderbedelingsvordering heeft bescherming te bieden.1 Ook deze hypotheek die via de schakelbepaling in art. 3:261 lid 2 BW dezelfde voorrang geniet als de hypotheek voor onbetaalde kooppenningen, kan worden teruggevoerd op het Franse recht.2 Het privilege dat het Franse recht aan de uittredende deelgenoot toekent, kwam onder het OBW – zij het in sterk afgezwakte vorm – tot uitdrukking in art. 1228 OBW, de voorganger van het huidige art. 3:261 lid 2 BW.3 Het verschil is dat naar Nederlands recht het zekerheidsrecht niet uit kracht van de wet ontstaat, maar bij de verdeling moet zijn bedongen.4 De voorrang in de rangorde ontleent deze hypotheek wel aan de wet doch geldt thans alleen nog jegens tegelijk met de verdelingsakte geregistreerde rechten.5 Naar Frans recht biedt het privilege ruimere bescherming omdat ook oudere conventionele hypotheken worden achtergesteld bij het wette-lijke zekerheidsrecht van de uittredende deelgenoot.6 Aangezien het gevaar dat er gelijktijdig ingeschreven rechten met een hogere rang tot stand komen maar beperkt is, wordt aan art. 3:261 lid 2 BW zelden bescherming ontleend.
Een groter gevaar schuilt in de beperkte rechten die de deelgenoot aan wie de onroerende zaak wordt toebedeeld voor de verdeling op zijn aandeel had gevestigd. Deze beperkte rechten komen op grond van art. 3:177 lid 1 BW na de verdeling te rusten op het goed voor zover dat door die deelgenoot wordt verkregen. De hypotheek voor de overbedelingssom zou in concurrentie met deze reeds bestaande rechten steeds van jongere datum en daarmee van lagere rang zijn. Om de positie van de uittredende deelgenoot ook jegens deze rechten te versterken, verleent art. 3:177 lid 3 BW aan de hypotheek tot waarborg van de schuldig gebleven overbedelingssom voorrang boven de beperkte rechten die een deelgenoot tevoren op zijn aandeel had gevestigd.7 Deze bijzondere beschermingsbepaling vormt daarmee een afwijking op de rangordebepaling van art. 3:21 BW. Met deze voorrangsregel ten bate van de uittredende deelgenoot wordt naar het oordeel van de wetgever
‘[…] op evenwichtige wijze recht gedaan zowel aan de belangen van de beperkt gerechtigden op een aandeel, als aan die van de deelgenoten.’8
De oudere beperkt gerechtigden worden weliswaar achtergesteld bij de hypotheek van de uittredende deelgenoot, maar dit kan worden gebillijkt door de uitbreiding die hun rechten als gevolg van de verdeling van rechtswege ondergaan.9 Rustte het beperkte recht immers eerst op het aandeel, na de verdeling komt het beperkte recht op het goed te rusten.10 Toch moet de rechtvaardiging van art. 3:177 lid 3 BW niet in de uitbreiding van het recht van de beperkt gerechtigden worden gevonden. Voor een hypotheekhouder is weliswaar de uitbreiding van een beperkt recht op het aandeel naar een recht op het gehele goed gunstig, zijn hypotheekrecht wordt evenwel omgezet van dat van eerste naar tweede hypotheekhouder. Ook al komt hem evenzeer het recht van parate executie toe, het recht van tweede hypotheek-houder is slechter af dan dat van de eerste hypotheekhouder. Een eventuele waardedaling van de bezwaarde zaak treft immers vooral de positie van de tweede hypotheekhouder. Zijn verhaalspositie is afhankelijk van de omvang van de onderbedelingsvordering waarvoor de hoogst gerangschikte hypotheek is bedongen. Deze hypotheek strekt in de regel tevens tot zekerheid voor drie jaren rente, waardoor de positie van de tweede hypotheekhouder verder wordt verzwakt.
De afweging die de wetgever in art. 3:177 lid 3 BW heeft gemaakt tussen de belangen van de deelgenoten en de beperkt gerechtigden slaat derhalve door in het voordeel van de deelgenoten. De rechtvaardiging van deze afwijking op de rangorderegel moet derhalve worden gevonden in de bijzondere bescherming die de wet aan de uittredende deelgenoot ter zake van de overbedelingsvordering beoogt te bieden. Om die reden zal een hypotheek die ten behoeve van ander wordt gevestigd – bijvoorbeeld een bank die de overbedelingssom financiert – geen afwijkende rang toekomen.11 Hoewel de wettekst dat niet expliciet bepaalt, moet worden aangenomen dat – zoals ook het Franse privilege is gebonden aan de persoon van de uittredende deelgenoot – art. 3:177 lid 3 BW alleen van toepassing is op een hypotheek die ten behoeve van de uittredende deelgenoot wordt gevestigd.12
Om een dergelijke hypotheek met hogere rang te verkrijgen is wel vereist dat het hypotheekrecht ten behoeve van de uittredende deelgenoot tegelijkertijd met de levering wordt gevestigd. Om deze gelijktijdige vestiging te bewerkstelligen zal de hypotheekakte tegelijk met de akte van levering moeten worden ingeschreven. Dat het hierbij om twee akten gaat die na elkaar worden opgemaakt is niet bezwaarlijk.13 Er behoeft immers geen nadere rangorde te worden vastgesteld naar het tijdstip waarop de verschillende akten zijn opgemaakt omdat deze inschrijvingen niet leiden tot onverenigbare rechten. Aangezien het tweede lid van art. 3:21 BW in dit geval geen toepassing heeft, behoeven de levering en de hypotheekverlening niet bij dezelfde notariële akte te geschieden. Tegen een dergelijke combi-akte kan bovendien het bezwaar worden aangevoerd dat de deelgenoot eerst na de levering beschikkingsbevoegd is om op het toegedeelde goed een hypotheekrecht te vestigen.14 Er is geen noodzaak om in dit kader af te wijken van de gangbare praktijk ter zake van de overdracht van onroerende zaken waarbij de akte van levering en de kort daarna opgemaakte hypotheekakte gelijktijdig worden ingeschreven.15 Het vereiste van gelijktijdige vestiging beoogt mijns inziens uitsluitend om ervan blijk te geven dat er een verband bestaat tussen de verdeling en de hypotheekvestiging om aldus de voorrangspositie van dit hypotheekrecht te kunnen rechtvaardigen.
Overigens zou het tijdstip waarop de hypotheekakte tot stand komt wel degelijk van belang zijn in concurrentie met rechten die door de verkrijgende deelgenoot na de akte van levering maar voor de hypotheekakte aan derden zijn verleend en tegelijkertijd worden ingeschreven, ware het niet dat tegen deze rechten art. 3:261 lid 2 BW bescherming biedt.