Einde inhoudsopgave
Het algemene opschortingsrecht (R&P nr. CA27) 2024/7.8.3
7.8.3 Het dictum bij een gedeeltelijk gegrond opschortingsverweer
G.J. Boeve, datum 01-02-2024
- Datum
01-02-2024
- Auteur
G.J. Boeve
- JCDI
JCDI:ADS950307:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Rb. Zeeland-West-Brabant 17 juli 2019, ECLI:NL:RBZWB:2019:6308, r.o. 2.4 en 2.7.
Rb. Zeeland-West-Brabant 30 november 2022, ECLI:NL:RBZWB:2022:7184, r.o. 4.14.
Zie voor deze kennelijke veronderstelling in een ander geval ook de weergave van het oordeel van de kantonrechter in Hof ’s-Hertogenbosch 21 maart 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:916, r.o. 6.7.2.
Uitgaande van de rekensom in het eerstgenoemde voorbeeld: € 6.050 – € 2.585 = € 3.465 toewijzen. Overigens behoeft een waardeverschil tussen de verbintenissen over en weer niet noodzakelijkerwijs te leiden tot de conclusie dat het opschortingsverweer disproportioneel is of slechts tot een gelijke waarde kan worden gehonoreerd. De rechtbank had de vordering in conventie ook kunnen afwijzen, ondanks dat de vordering in verband waarmee de schuldenaar het opschortingsverweer voerde een lagere waarde had dan zijn verbintenis (zie § 6.3.2.2).
Zie § 2.5.4 over de functies van het algemene opschortingsrecht.
Rb. Zeeland-West-Brabant 30 november 2022, ECLI:NL:RBZWB:2022:7184, r.o. 4.16.
Rb. Rotterdam 2 november 2022, ECLI:NL:RBROT:2022:9543, r.o. 2.22.
Zie ook Rb. Gelderland 11 januari 2023, ECLI:NL:RBGEL:2023:78, r.o. 5.51 (“Het opschortingsrecht is een tijdelijke maatregel. De opdrachtgevers hebben ervoor gekozen om in de onderhavige procedure schadevergoeding te eisen. Deze is gedeeltelijk toegewezen, zodat er geen grond meer is om de betalingsverplichting op te schorten. Nu de aannemingsovereenkomst niet is ontbonden, zijn de opdrachtgevers niet bevrijd van hun contractuele verplichting om het restant van de aanneemsom te voldoen.”). Zie voorts Rb. Noord-Nederland 1 maart 2023, ECLI:NL:RBNNE:2023:810, r.o. 2.54 en Rb. Midden-Nederland 9 november 2022, ECLI:NL:RBMNE:2022:4554, r.o. 4.45.
Uitgaande van de rekensom in het eerstgenoemde voorbeeld: € 430.000 - € 14.000 = € 416.000 toewijzen. Zie evenwel de opmerking in § 7.8.3, voetnoot 142.
Rb. Rotterdam 2 november 2022, ECLI:NL:RBROT:2022:9543, r.o. 2.28.
Hof ’s-Hertogenbosch 16 augustus 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:2822.
Zie daarover § 7.8.4.
Een gedeeltelijk gehonoreerd opschortingsverweer leidt doorgaans, voor zover het een deelbare verbintenis betreft, tot het dienovereenkomstig gedeeltelijk afwijzen van het van de schuldenaar gevorderde en toewijzing van het overige van de schuldenaar gevorderde. Een succesvol verweer van de wederpartij dat de uitoefening van de opschortingsbevoegdheid naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, bijvoorbeeld omdat die uitoefening disproportioneel is, behoeft dan ook niet te leiden tot gehele toewijzing van het gevorderde. De rechter kan het gevorderde bijvoorbeeld afwijzen voor het gedeelte dat het opschortingsverweer slaagt en toewijzen voor het overige. In een geval waarin de rechter de opschorting van een factuur van € 1.577,70 honoreerde tot een bedrag van € 954,70, veroordeelde hij de gedaagde tot betaling van € 623. Vermoedelijk is de omvang van deze bedragen gerelateerd aan de omvang van de tekortkomingen, maar dat blijkt niet uit het vonnis. In de omstandigheden van het geval zag de rechter vervolgens aanleiding de proceskosten tussen partijen te compenseren, in die zin dat iedere partij haar eigen kosten draagt.1 Vermoedelijk kwam de rechter tot deze beslissing omdat partijen in zekere zin over en weer op enkele punten in het ongelijk zijn gesteld (art. 237 lid 1 Rv).
In een ander geval waarin Rechtbank Zeeland-West-Brabant het opschortingsverweer gedeeltelijk honoreerde kwam zij tot een andere – mijns inziens onjuiste – benadering in haar dictum. De schuldenaar voerde in conventie een opschortingsverweer tegen de van hem gevorderde betaling van € 6.050 in verband met zijn in reconventie gevorderde schadevergoeding ter hoogte van € 2.585. De rechtbank honoreerde het opschortingsverweer tot het bedrag van de schadevergoeding. Vervolgens overwoog de rechtbank dat omdat door de schuldenaar nadrukkelijk geen beroep is gedaan op verrekening, de gehele vordering in conventie wordt toegewezen, behoudens de rente, want die wordt alleen berekend over het onterecht opgeschorte deel van het gevorderde.2 In het dictum wees de rechtbank in conventie de gevorderde hoofdsom toe en in reconventie het gevorderde bedrag aan schadevergoeding toe. De kennelijke veronderstelling van de rechtbank dat een opschortingsverweer in een geval als aan de orde gepaard dient te gaan met een verrekeningsverweer is onjuist.3 De rechtbank had in haar benadering, overeenkomstig het andere hiervoor genoemde voorbeeld, de hoofdsom in conventie moeten afwijzen voor het gedeelte ten aanzien waarvan de schuldenaar een gegrond opschortingsverweer voerde.4 Een volledige toewijzing van het gevorderde in conventie ondermijnt het opschortingsverweer, omdat die beslissing tot nakoming verplicht waar uitstel gerechtvaardigd is, de prikkel tot nakoming door de wederpartij ontneemt en het insolventierisico van de schuldenaar vergroot.5 Omdat partijen over en weer in het deels in het ‘(on)gelijk’ zijn gesteld, compenseerde de rechtbank de proceskosten.6
In een geval waarin Rechtbank Rotterdam het opschortingsverweer gedeeltelijk honoreerde, kwam zij in conventie en reconventie tot een vergelijkbaar dictum als in het hiervoor behandelde voorbeeld van de rechtbank Zeeland-West-Brabant waarin in conventie en reconventie de vorderingen geheel werden toegewezen. De schuldenaar voerde in conventie een opschortingsverweer tegen de van hem gevorderde betaling van in totaal bijna € 430.000 in verband met zijn in reconventie gevorderde betaling van iets meer dan € 14.000. De rechtbank honoreerde het opschortingsverweer tot het bedrag van de vordering in reconventie. Vervolgens overwoog de rechtbank dat de schuldenaar het beroep op opschorting na dit eindvonnis niet kan handhaven, omdat hij een vordering in reconventie heeft ingesteld.7 In het dictum wees de rechtbank in conventie en in reconventie de respectievelijk gevorderde bedragen toe. De kennelijke veronderstelling van de rechtbank dat een opschortingsverweer vervalt als de schuldenaar een executoriale titel voor zijn vordering op zijn wederpartij heeft verkregen, is onjuist.8 Ook in dit geval ondermijnt de rechtbank met de volledige toewijzing van het in conventie gevorderde het opschortingsverweer. In de door de rechtbank voorgestane benadering had zij de hoofdsom in conventie moeten afwijzen voor het gedeelte ten aanzien waarvan de schuldenaar een gegrond opschortingsverweer voerde.9 Omdat de schuldenaar grotendeels in het ongelijk werd gesteld, diende zij de proceskosten te betalen (art. 237 lid 1 Rv).10
In een door het Hof ’s-Hertogenbosch beoordeeld geval honoreerde het hof het opschortingsverweer, maar veroordeelde de schuldenaar in conventie voor het geheel ‘met dien verstande dat [appellant] de betaling van de hoofdsom voor een [deel] mag opschorten’ in verband met vorderingen tot schadevergoeding op zijn wederpartij.11 Weliswaar erkende het hof de opschortingsbevoegdheid en haar rechtsgevolgen, maar het hof heeft daarin geen reden gezien de vordering in conventie voor een deel af te wijzen en in het arrest is de keuze voor dit dictum niet gemotiveerd. Het arrest lijkt daardoor ook een verklaring voor recht in te houden ten aanzien van de verbintenis van de schuldenaar (zie het in § 7.8.1 genoemde voorbeeld) of zou kunnen worden opgevat als een veroordeling onder voorwaarde van betaling door de wederpartij.12