Einde inhoudsopgave
Bestuurdersaansprakelijkheid in theorie (IVOR nr. 108) 2017/5.3.10
5.3.10 Maatstaf is vooral gericht op bestuurders (van kapitaalvennootschappen) die moeten ondernemen
mr. W.A. Westenbroek, datum 01-09-2017
- Datum
01-09-2017
- Auteur
mr. W.A. Westenbroek
- JCDI
JCDI:ADS347324:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Kroeze 2005, p. 4.
Wet bestuur en toezicht, Wet van 6 juni 2011, Stb. 2011, 275 (per 1 januari 2013 in wer king getreden).
Kamerstukken II 2008/09, 31 763, nr. 3 (MvT), p. 9.
Zie art. 2:1 lid 3 BW en art. 2:2 lid 2 BW en Lennarts & Roest 2015, T&C Boek 2 BW,art. 2:2 BW, aant. 4.
In aanvulling daarop kent het Nederlandse recht sinds enige tijd de rechtspersonen van Europese origine: het Europees economisch samenwerkingsverband, de Europese naamloze vennootschap en de Europese stichting en vereniging, allen met (statutaire) zetel in Nederland.
C.H.C. Overes, ‘Aansprakelijkheid van stichtingsbestuurders; bestuurders opgelet!’, Ondernemingsrecht 2015/103, afl. 15, p. 518.
Bron: resultaten van een in opdracht van de auteur uitgevoerd onderzoek door de Kamer van Koophandel per 15 februari 2017.
Ik beperk mij tot de grootste branches/sectoren en er kan overlap bestaan.
Bron: Rapportage NOC*NSF ledentallen 2015, https://www.nocnsf.nl/ledentallen. Omdat sommige van deze 4.360.720 natuurlijk personen lid zijn van meerdere sportbonden, bestond een totaal van 5.292.310 lidmaatschappen.
Het genoemde aantal leden van kerkgenootschappen is gebaseerd op (verouderde) bronnen geraadpleegd op internet. Het doel is niet om exact te zijn, maar om een beeld te schetsen.
Enige nuance is hier wel op zijn plaats omdat uiteraard een deel hiervan wel degelijk ook een onderneming zal drijven.
Welk ‘maatschappelijk’ belang de Hoge Raad op het oog zou hebben, licht de Hoge Raad niet toe, maar gelet op de verwijzing naar het arrest Willemsen/NOM mag aangenomen worden dat hij het belang dat een bestuurder moet kunnen ondernemen bedoelt.
Overes 2015, p. 518, onder verwijzing naar A. Hendrikse, ‘Bestuurdersaansprakelijkheid in de not-for-profit sector: van liefdewerk, oud papier, de dingen die voorbijgaan’,Ondernemingsrecht 2009/40, p. 175, Hendrikse 2010, p. 48 en M.L. Lennarts, ‘Aansprakelijkheid van bestuurders en toezichthouders bij stichtingen’, in: De stichting. Kritische beschouwingen over de wettelijke regeling voor een veelzijdige rechtsvorm, Den Haag: SDU Uitgevers 2011, p. 136 e.v.
Pitlo/Löwensteyn 1986, p. 75, herhaald in Pitlo/Löwensteyn & Raaijmakers 1994, p. 72.
Kamerstukken II 2015/16, 34 491, nr. 2 (Voorstel van Wet). In zijn brief van 13 september 2013 van de Minister aan de Tweede Kamer, waarmee hij het Rapport Commissie Maatschappelijk verantwoord bestuur en toezicht in de semipublieke sector aan de Tweede Kamer aanbiedt (Kamerstukken II 2012/13 28 479, nr. 68), schrijft hij: “De afgelopen jaren hebben zich betreurenswaardige incidenten voorgedaan, die het vertrouwen van burgers in het functioneren van bestuurders en toezichthouders in semipublieke secto ren hebben geschaad, en daarmee het vertrouwen in de publieke zaak. Werken voor het maatschappelijk belang brengt een morele verantwoordelijkheid met zichmee. Hieraan heeft het helaas te vaak ontbroken, zo tonen de incidenten aan. Tegen deze achtergrond heeft het kabinet de commissie gevraagd gedragsregels voor professioneel en ethisch verantwoord handelen op te stellen voor bestuurders en interne toezichthouders.” In de memorie van toelichting bij het huidige Wetsvoorstel bestuur en toezicht rechtspersonen (Kamerstukken II 2015/16, 34 491, nr. 3 (MvT), p. 3) wordt verwezen naar dit Rapport: “Met de in dit wetsvoorstel neergelegde regeling wordt ook invulling gegeven aan de aan bevelingen van de Commissie Behoorlijk Bestuur (de Commissie Maatschappelijk verantwoord bestuur en toezicht in de semipublieke sector, onder voorzitterschap van mevrouw F. Halsema; zie bijlage bij Kamerstukken II 2012/13, 28 479, nr. 68). Deze commissie heeft aangedrongen op een nauwkeuriger omschrijving van de taak en de aansprakelijkheid van bestuurders en toezichthouders van instellingen in semipublieke sectoren, en op de invoering van een tegenstrijdig-belangregeling voor deze instellingen. Het voorstelvormt verder de hoeksteen van de maatregelen ter verbetering van de kwaliteit van bestuur en toezicht bij verenigingen en stichtingen in semipublieke sectoren, zoals deze zijn aangekondigd in de brief aan de Tweede Kamer van 12 november 2013 (Kamerstukken II 2013/14, 33 750 VI, nr. 31).”
Rb. Oost-Brabant 17 juli 2013, RO 2013/73 (Stichting Bureau Jeugdzorg).
Hof Amsterdam 21 september 2010, JOR 2011/40 m.nt. J.B. Wezeman (Stichting Freule Lauta van Aysma).
Het leerstuk van interne bestuurdersaansprakelijkheid heeft zich zowel in de wetsgeschiedenis als in de literatuur met name ontwikkeld met het oog op kapitaalvennootschappen en commerciële verenigingen en stichtingen (die per definitie een onderneming drijven) in het bijzonder, en niet met het oog op rechtspersonen in het algemeen (die niet per se steeds een onderneming drijven). Zo is hiervoor in hoofdstuk 3 toegelicht dat de betekenis van (on) behoorlijke taakvervulling/(on)behoorlijk bestuur als bedoeld in art. 2:9 BW, met name vorm heeft gekregen in de wetsgeschiedenis van art. 2:138/248 BW dat specifiek betrekking heeft op kapitaalvennootschappen. Kroeze heeft het in zijn inaugurele reden “Bange bestuurders” dan ook expliciet over bestuurdersaansprakelijkheid in het kader van kapitaalvennootschappen.1 Inmiddels is het gegeven dat ‘bestuurders moeten kunnen ondernemen’ dusdanig vanzelfsprekendheid geworden dat het als een belangrijk argument is teruggekomen in de wetsgeschiedenis van de Wet bestuur en toezicht,2 waaruit het huidige art. 2:9 BW is voortgekomen:
“Voorop moet blijven staan dat de vraag of sprake is van onbehoorlijk bestuur moet worden beantwoord naar het moment [het peilmoment, toev. auteur] waarop de betreffende handelingen werden verricht. Ten slotte: ondernemen is en blijft risico lopen. Van bestuurders kan niet worden verwacht dat zij uitsluitend handelen in die situaties waarin de te nemen stap al op alle mogelijke manieren is onderzocht, doorgerekend, van accountantsverklaringen voorzien en in schema’s gevat. Er moet ruimte blijven voor creativiteit, vernuft en durf. De samenleving is niet gediend met regelgeving die ondernemers stimuleert om telkens de voorkeur te geven aan risicomijdende beslissingen met weinig economisch voordeel. Een andere opstelling zou ook haaks staan op het streven van dit kabinet naar een vitale en innovatieve economie waarin bijvoorbeeld de overstap van werknemerschap naar zelfstandig ondernemerschap wordt gestimuleerd. Een grens wordt echter bereikt wanneer onverantwoordelijke risico’s worden genomen; dan bestaat aansprakelijkheidsrisico voor bestuurders.”3
Het voorgaande verklaart waarom het ondernemerschap een belangrijke rol heeft gespeeld bij de invulling van de behoorlijke taakvervullingsnorm en thans als rechtvaardiging wordt gezien voor de ernstigverwijtmaatstaf. Dat die focus daarop lag is niet vreemd, omdat besloten en naamloze vennootschappen in onze maatschappij nu eenmaal een belangrijke maatschappelijke en economische functie hebben.
Art. 2:9 BW heeft echter niet alleen betrekking op het bestuur van kapitaalvennootschappen, maar ook op het bestuur van andere rechtspersonen, zoals verenigingen, coöperaties, onderlinge waarborgmaatschappijen en stichtingen. Omdat de ernstigverwijtmaatstaf zijn oorsprong heeft in de uitleg van art. 2:9 BW (en de Hoge Raad het in Staleman/Van de Ven ook heeft over rechtspersonen), mag men voorts veronderstellen dat de Hoge Raad de rechtvaardiging van de ernstigverwijtmaatstaf zoals gegeven in Willemsen/NOM van toepassing acht in het kader van de beoordeling van de aansprakelijkheid van bestuurders van alle rechtspersonen die ons rechtssysteem kent en dus niet alleen van kapitaalvennootschappen. Het voorgaande leidt echter tot een problematische conclusie, want veel rechtspersonen drijven helemaal geen onderneming en bij veel rechtspersonen speelt ondernemerschap geen of in mindere mate een rol. Afgezien van de publiekrechtelijke rechtspersonen ex art. 2:1 BW, waarop art. 2:9 BW niet van toepassing is, en de kerkgenootschappen ex art. 2:2 BW, waarop art. 2:9 BW naar analogie van toepassing kan zijn,4 omschrijft art. 2:3 BW dat ons rechtssysteem de volgende rechtspersonen kent: verenigingen, coöperaties, onderlinge waarborgmaatschappijen, naamloze en besloten vennootschappen en stichtingen.58 Op al deze rechtspersonen is art. 2:9 BW van toepassing. Verenigingen, stichtingen en kerkgenootschappen hebben vaak een ideëel of maatschappelijk karakter en drijven veelal niet een onderneming.6 Het doel van deze rechtspersonen is vaak het behartigen van (gemeenschappelijke) (ideële) belangen, al dan niet van zijn leden, aangeslotenen of belanghebbenden. In dit verband is het interessant om te kijken naar het hieronder opgenomen cijfermatig overzicht van de hoeveelheid en soorten rechtsvormen die wij in Nederland kennen.7
Rechtspersonen gericht op winst
Aantal
Besloten vennootschappen
917.019
(Europese) naamloze vennootschappen
4.235
Buitenlandse (op) EG-vennootschappen (lijkende vennootschappen) met onderneming/hoofdvestiging in Nederland
7.539
Europees economisch samenwerkingsverbanden
54
Commanditaire vennootschappen
10.090
Onderlinge Waarborgmaatschappijen
279
Subtotaal
939.216
Rechtspersonen met ander/bijzonder doel
Aantal
Stichtingen
216.412
Verenigingen
234.812
Kerkgenootschappen
1.443
Publiekrechtelijke rechtspersonen
985
Andere privaatrechtelijke rechtspersonen
86
Subtotaal
453.738
Totaal
1.392.954
Uit voorgaande tabel blijkt dat begin 2017 ca. 32% van alle rechtspersonen een stichting, vereniging of publiekrechtelijke rechtspersoon is. Deze rechtspersonen richten zich op het algemeen belang (de Staat)8 en/of hebben branchecodes van de Kamer van Koophandel waaruit blijkt dat ondernemerschap bepaald niet centraal staat. De hierna genoemde aantallen rechtspersonen met de daarbij genoemde branchecodes illustreert dat.9
Branchecode
Aantal rechtspersonen
Levensbeschouwing/politiek/belangenbehartiging
128.938
Verpleging/verzorging en maatschappelijke dienstverlening
40.651
Gezondheidszorg/ziekenhuizen
9.781
Verpleging, jeugdzorg, verstandelijk gehandicapte zorg en opvang
10.228
Maatschappelijke dienstverlening en ouderenzorg
46.703
Sport en recreatie
45.384
Kunst
26.332
Openbare archieven, cultuur, monumentenzorg, natuurbehoud, kinderboerderijen
8.608
Er zouden in 2015 in totaal 4.360.720 natuurlijke personen (via een vereniging) lid zijn van één of meerdere van de 74 sportbonden die zijn aangesloten bij NOC*NSF.10 De genoemde kerkgenootschappen hebben daarnaast duizenden kerken in Nederland met (in 2012) nog in totaal ca. 7 miljoen leden.11
Ten aanzien van de hiervoor bedoelde rechtspersonen, die veelal geen onderneming zullen drijven (zoals gezegd ca. 32%12 van alle rechtspersonen in Nederland), kan bezwaarlijk gesteld worden dat de door de Hoge Raad in Willemsen/NOM (en later in Hezemans Air en RCI/Kastrop) gegeven rechtvaardiging voor het hanteren van de ernstigverwijtmaatstaf opgaat.13 Overes schreef bijvoorbeeld dat het winststreven voor stichtingen niet als rechtvaardiging kan dienen bij het nemen van financiële risico’s, hetgeen de marge waarbinnen het bestuur risico’s kan nemen verkleint.14 Hoe verhoudt zich dit met de door de Hoge Raad genoemde rechtvaardiging voor een hoge drempel voor aansprakelijkheid, bestaande uit het (maatschappelijk) belang dat wordt voorkomen dat bestuurders hun handelen in onwenselijke mate laten bepalen door defensieve overwegingen? Zou – anders gezegd – niet geconcludeerd moeten worden dat deze rechtvaardiging niet goed opgaat voor deze stichtingen en geldt dit niet evengoed voor eerdergenoemde verenigingen en kerkgenootschappen? Voor de bestuurders van deze rechtspersonen zal het in het belang van de leden, aangeslotenen, belanghebbenden, werknemers of onderdanen (van de Staat) vaak juist wenselijk zijn dat zij hun handelen wel door defensieve overwegingen laten bepalen. Löwensteyn merkte ruim voor de introductie van de ernstigverwijtmaatstaf in dit verband op dat bij andere rechtspersonen dan kapitaalvennootschappen en economische verenigingen de doelstellingen vaak tot een voorzichtiger beleid nopen.15
Bij rechtspersonen in de semipublieke sector, waar onder meer onregelmatigheden op financieel gebied mede invulling hebben gegeven aan het op 8 juni 2016 ingediende Voorstel van Wet bestuur en toezicht rechtspersonen, is dit evengoed het geval.16 Zo overwoog de Rechtbank Oost-Brabant dat uit de aard van de door Bureau Jeugdzorg uitgevoerde activiteiten in het algemeen geen bijzondere financiële risico’s voortvloeien en dat van het bestuur van een organisatie die handelt ter uitvoering van een publieke taak en daarbij volledig van overheidsgeld afhankelijk is, daarom een zekere voorzichtigheid bij het aangaan van financiële verplichtingen mag worden verwacht.17 Het hof Amsterdam overwoog verder dat bij een stichting die een bejaardencentrum in stand hield, gelet op het doel van de stichting en de belangen van bij de stichting betrokken derden (met name de bewoners en de gemeente), het zorgvuldig voeren van het financiële beleid van de stichting een essentieel onderdeel van de taak van het bestuur is. Het lopen van grote financiële risico’s met geleend geld is daarmee niet verenigbaar, hetgeen de bestuurders ‘ernstig te verwijten’ viel.18
Kortom, zou de Hoge Raad in een voorkomend geval zich moeten uitlaten over de interne aansprakelijkheid van een bestuurder van bijvoorbeeld een amateurvoetbal-, tennis- of wandelvereniging, een stichting die een goed doel behartigt en geen onderneming drijft, een kerkgenootschap of een rechtspersoon in de semipublieke sector met een specifiek doel waar ondernemen van ondergeschikt belang is, dan kan de Hoge Raad bezwaarlijk stellen dat een hoge drempel voor de aansprakelijkheid van deze bestuurder (in de vorm van de ernstigverwijtmaatstaf), wordt gerechtvaardigd door een belang dat deze bestuurder zijn handelen niet in onwenselijke mate door defensieve overwegingen heeft laten bepalen. Deze overweging zal dan niet bepaald dragend, laat staan relevant kunnen zijn. De onderbouwing van de ernstigverwijtmaatstaf die, naar mag worden aangenomen, geldend zou moeten zijn voor alle rechtspersonen, past gelet hierop mijns inziens wetsystematisch (binnen het systeem van de wet bestaan verschillende soorten rechtspersonen die niet allemaal een onderneming drijven) niet goed in de wet.
De behoorlijke taakvervullingsnorm, die blijkens de wetsgeschiedenis en literatuur weliswaar nadere invulling heeft gekregen met een focus op kapitaalvennootschappen, biedt daarentegen ruimte voor diversificatie tussen verschillende soorten rechtspersonen (is het een beursgenoteerde onderneming, een voetbalclub of een zorginstelling?). Afhankelijk van de aard van de rechtspersoon en van de omstandigheid dat de rechtspersoon al dan niet een onderneming drijft, kan bij de toepassing van deze behoorlijke taakvervullingsnorm rekening worden gehouden met de vraag hoe de objectieve maatman-bestuurder van een vergelijkbare rechtspersoon, zijnde een rechtspersoon “als de hunne”19 (zie par. 5.3.6), zou hebben gehandeld op het moment van handelen. Gelet op de door de Hoge Raad gegeven rechtvaardiging voor de ernstigverwijtmaatstaf, bestaande uit het belang van de aan een rechtspersoon verbonden onderneming dat bestuurders zich niet in onwenselijke mate door defensieve overwegingen laten leiden, moet volgens mij geconcludeerd worden dat de ernstigverwijtmaatstaf onvoldoende recht doet aan het belang van diversificatie tussen de verschillende soorten rechtspersonen.