Einde inhoudsopgave
Eigendomsvoorbehoud (Rechtswetenschappelijke publicaties) 2018/8.3.3
8.3.3 Strijd met de numerus clausus
E.F. Verheul, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
E.F. Verheul
- JCDI
JCDI:ADS393741:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Reehuis 2010, nr. 93, Wibier 2013, p. 290 en Nieuwesteeg 2015, p. 173. Ook in het Duitse recht wordt de numerus clausus wel gezien als obstakel voor de aanvaarding van het Anwartschaftsrecht, zij het dat het bestaan van een gesloten stelsel van goederenrechtelijke rechten naar Duits recht niet onomstreden is. Zie daartegen met verdere verwijzingen Wieling 2006, p. 25-26 en p. 801. Voor het Duitse recht snijdt dit bezwaar meer hout, nu het Anwartschaftsrecht een andersoortig recht is dan het eigendomsrecht op de zaak zelf en niet aanstonds duidelijk is op welke wijze dit recht valt in te passen in het vermogensrechtelijk systeem en welke bepalingen daarop van toepassing zijn. Grotendeels wordt deze problematiek omgaan door middel van de beeldspraak dat geen sprake is van een nieuw, andersoortig goederenrechtelijk recht (aliud), maar van een wesensgleiches Minus van het eigendomsrecht. Zie Gernhuber 1981, p. 39-40 en Staudinger/Bork 2015, Vorbem zu §§ 158 ff BGB, Rn. 63. Deze beeldspraak, die gemunt is door Schwister in diens noot onder RG 4 april 1933, JW 1933, 1764, heeft ook ingang gevonden in de rechtspraak van het BGH, en leidt er per saldo toe dat alle regels die voor eigendomsrechten gelden, ook worden toegepast op het Anwartschaftsrecht. Door deze beeldspraak wordt men overigens op het verkeerde been gezet met betrekking tot het rechtskarakter van het Anwartschaftsrecht; in werkelijkheid is namelijk wel degelijk sprake van een aliud. Zie nader paragraaf 8.10.1. Het BGH heeft – mogelijk vanwege de numerus clausus – het Anwartschaftsrecht nog niet als goederenrechtelijk recht willen kwalificeren, maar, zo merkt Finkenauer terecht op, hij behandelt het recht wel als zodanig met betrekking tot alle relevante rechtsvragen. Zie HKK- BGB/Finkenauer 2003, §§ 158-163 BGB, Rn. 26. Geregeld wordt ook opgemerkt dat de functie van de numerus clausus er niet in is gelegen ‘das Sachenrecht auf dem Stand des Jahres 1900 gewissermaûen einfrieren zu lassen und jede Rechtsentwicklung zu hemmen, sondern der Parteiautonomie durch den Typenzwang Schranken zu ziehen’ (Raiser 1961, p. 55). Vgl. Forkel 1962, p. 163 en Stadler 1996, p. 288. Zo wordt ook ruiterlijk erkend dat sprake is van een ‘gelungene Rechtsfortbildung, die sich ua über den nume-rus clausus der Sachenrechte hinweggesetzt hat’ (Westermann/Westermann, Gursky & Eickmann 2011, p. 50). Vgl. Wiegand 2008, p. 735: ‘In der Sache kann heute (…) kein Zweifel daran bestehen, dass ein neues dingliches Recht entstanden ist. Ebenso wenig kann bezweifelt werden, dass die Entstehung neuer dinglicher Rechte durch Rechtsfortbildung zulässig ist.’
Om die reden wordt in de Oostenrijkse literatuur wel aangenomen dat het Anwartschaftsrecht geen goederenrechtelijk karakter kan hebben. Zie Klang/Bydlinski 1978, § 1063 ABGB, p. 565-566. Men pleegt te spreken van een ‘(quasi)-dingliches Anwartschaftsrecht’. Zie met verwijzingen Klang/Leupold 2011,§ 358 ABGB, Rn. 48 e.v. Terecht merkt Klang/Beclin 2011, § 897 BGB, Rn. 53 op dat – vanwege de splitsing of belasting van het eigendomsrecht – aan het Anwartschaftsrecht ‘im Ergbenis doch klar eine dingliche Vorwirkung zuerkannt [wird].’
Zie Scheltema 2003, p. 351 en p. 369.
Anders: Wibier 2016, p. 213.
Zie voor de ratio van de numerus clausus uitgebreid en met verdere verwijzingen Struycken 2007,p. 287-357 en p. 753-762, i.h.b. p. 293-297 voor het hier centraal gestelde aspect.
Struycken 2007, p. 350-356 die spreekt van de organisatorische functie van de numerus clausus.
Anders Scheltema 2003, p. 300-301 die een stelsel van terugwerkende kracht verkieslijk acht, omdat de voorwaarde dan geen ‘vaste voet in het goederenrecht’ heeft. Vanwege de doorwerking van de titel in de rechtsgevolgen van de overdracht is dat echter hoe dan ook het geval, ook als door een fictie als de terugwerkende kracht wordt gedaan alsof dat niet zo is.
Reehuis 2010, nr. 101.
Van Hees 1997, p. 107. Zie ook de nuanceringen van Wiegand 1990, p. 128, voetnoot 67.
Vgl. Henckel 1994, p. 195, Struycken 2007, p. 566-569, Verstijlen 2007, p. 825-826, Schuijling 2017, p. 19, voetnoot 17 en MünchKomm-BGB/Oechsler 2017, § 929 BGB, Rn. 18 die opmerkt dat men de ontwikkeling van het Anwartschaftsrecht vanuit de numerus clausus weliswaar kan bekritiseren, maar dat de leer desalniettemin een ‘berechtigten Kern’ heeft, nu zij de leemten in de wettelijke regeling opvult en verhandelbaarheid van de zaak gedurende de periode van onzekerheid tot gevolg heeft.
Soms wordt het gesloten stelsel van goederenrechtelijke rechten in verband gebracht met de onmogelijkheid van splitsing van eigendom en kwalificatie van de rechtspositie van de koper als eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde.1 Op grond van deze numerus clausus staat het partijen niet vrij een buitenwettelijk goederenrechtelijk recht in het leven te roepen.2 Zoals hier wordt verdedigd, berust de splitsing van het eigendomsrecht en de verkrijging van een voorwaardelijk eigendomsrecht door de koper echter op artikel 3:84 lid 4 BW en is het derhalve de wet die het eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde in het leven roept. Van een door partijen gecreëerd, buitenwettelijk goederenrechtelijk recht is derhalve geen sprake.3
Van een daadwerkelijk nieuw goederenrechtelijk recht is bovendien geenszins sprake. Het eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde is een ‘gewoon’ eigendomsrecht, dat behoort tot de wettelijke catalogus van goederenrechtelijke rechten.4 Weliswaar is de bijzonderheid van het eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde gelegen in het feit dat (de werking van) het recht afhankelijk is van de vervulling van de voorwaarde, maar dit geldt evenzeer voor het eigendomsrecht onder ontbindende voorwaarde, dat door wetgever, literatuur en recht spraak zonder schroom wordt erkend en nooit als onbestaanbaar wordt beschouwd vanwege de numerus clausus. Ook in het licht van de functie van de numerus clausus is de splitsing van het eigendomsrecht in een eigendomsrecht onder ontbindende en opschortende voorwaarde niet problematisch te noemen. Met het gesloten stelsel van goederenrechtelijke rechten wordt met name de gemakkelijke verhandelbaarheid van zaken bevorderd, doordat partijen niet bedacht hoeven te zijn op door partijen gecreëerde rechten maar slechts rekening moet houden met de wettelijke catalogus van goederenrechtelijke rechten.5 In het verlengde daarvan bewerkstelligt de numerus clausus helderheid over welke regels van toepassing zijn op welke rechten en staat daarmee in het teken van de rechtszekerheid.6
Aangezien zowel het eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde als het eigendomsrecht onder ontbindende voorwaarde een eigendomsrecht is, worden derden niet geconfronteerd met een nieuw, onbekend recht dat aan hen tegenwerpbaar is. Weliswaar moeten derden door de mogelijkheid van een zodanige splitsing niet alleen rekening houden met het bestaan van eigendomsrechten op een zaak, maar ook met eigendomsrechten waaraan een voorwaarde is verbonden, die mede de modaliteiten en het voortbestaan van het recht kan bepalen, maar dat is een noodzakelijke consequentie van de erkenning van een voorwaardelijke beschikking waarbij vervulling van de voorwaarde goederenrechtelijke werking heeft. Voor een zodanig stelsel heeft de wetgever bewust gekozen. De splitsbaarheid van het recht als zodanig is vanuit het perspectief van de numerus clausus niet zozeer het probleem. Ook als men zou kiezen voor een andere techniek om de goederenrechtelijke werking van de vervulling van de voorwaarde te bewerkstelligen, zouden derden de facto rekening moeten houden met voorwaardelijke rechten. Zou men bijvoorbeeld de goederenrechtelijke werking van de vervulling van de voorwaarde willen verklaren aan de hand van de terugwerkende kracht van de voorwaarde, dan laat zich door middel van die fictie weliswaar volhouden dat er gedurende de voorwaardelijkheid slechts ÉÉn eigenaar is en dat deze volledig eigenaar is, maar in feite is zijn rechtspositie net zozeer beperkt door de voorwaarde, omdat vervulling van de voorwaarde met terugwerkende kracht bewerkstelligt dat een ander eigenaar wordt en nadien getroffen beschikkingen door de vervreemder komen te vervallen.7 Ook in een zodanig stelsel worden derden derhalve geconfronteerd met de voorwaarde.
De gevolgen van de confrontatie van derden met voorwaardelijke rechten wordt voor roerende zaken, niet-registergoederen overigens sterk gemitigeerd door de werking van artikel 3:86 BW, op grond waarvan derden worden beschermd indien zij niet op de hoogte zijn van het voorwaardelijke karakter van het eigendomsrecht.8 Ook is van onduidelijkheid over de regels die op het eigendomsrecht onder opschortende of ontbindende voorwaarde moeten worden toegepast– hetgeen de numerus clausus beoogt te voorkomen – geen sprake. Beide rechten zijn immers eigendomsrechten en uit de wet volgt duidelijk welke regels op (de overdracht van) eigendomsrechten van toepassing zijn.9 De bijzonderheid dat deze eigendomsrechten zijn onderworpen aan een voorwaarde, maakt voor de toepasselijkheid van die regels niets uit. Tot slot vormt een van de ratio’s van de numerus clausus – de verhandelbaarheid van goederen – een steun in de rug voor de erkenning van het eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde als zelfstandig overdraagbaar recht: aldus wordt bewerkstelligd dat de koper over zijn rechtspositie kan beschikken en de zaak hangende de voorwaarde niet praktisch onoverdraagbaar wordt.10